zondag 12 juli 2020

Een dude is een dude

De dude kennen we van The Big Lebowski, de film uit 1998 van de gebroeders Coen die geleidelijk een cultstatus kreeg. In mijn vorige blog had ik het over vrienden op een terras achter koffie en whisky (mijn vriend Martien was helemaal vol van de film en deze blog danken we dus aan hem). Had je ze neergezet bij een bowlingbaan, dan had je met wat goede wil de scène van de dude gehad. Ik had me na de film voorgenomen er eens een keer geen blog over te schrijven. Maar kennelijk ben ik nog steeds niet in die verheven staat waarin ik daar zomaar over kan beslissen.

De dude is ook zo'n man die ergens in verzeild raakt. Maar als hij erin verzeild raakt, lijkt het alsof hij er niet in verzeild raakt. Als de drie dreigende mannen zijn kamer binnenkomen blijft hij heel relaxt, zoals eigenlijk wel in de hele film. Dat maakt het meteen wel moeilijk om je met hem te identificeren, want zo relaxt zijn wij niet.

Het schijnt dat de term dude is ontstaan uit het Engelse doodle, een man die kieskeurig was als het op zijn kleren aankwam, een dandy dus. Dat past ook wel bij de film, het vest van de dude is een erg belangrijk gegeven. De Westerley, zoals dat vest heet, is heel dik, en nog steeds voor tweehonderd dollar te koop. Het is een slappe imitatie van de Cowichan-sweater van de gelijknamige indianenstam uit de buurt van Vancouver. Er zit dus wel degelijk iets van een statement in dit vest. Een gevaarlijk statement, want de Yankee doodle neemt het vest over van de indiaan zoals de Yankees hun land hebben overgenomen. Maar goed, nu houdt de dude zich wellicht mede staande in het leven door ook een belangrijke eigenschap van de indiaan over te nemen, zijn onverstoorbaarheid.

De film laat ik verder voor wat hij is. Kort samengevat: de dude is de dude. Ik verander de lidwoorden als denkexperiment. Is het mogelijk om de relaxte hoofdpersoon van de film weer terug te toveren in een dude, een gewone jongen net als iedereen? Zouden jij en ik ook een dude kunnen zijn?

Ik nader nu het thema van de assumptie. Als het vest het voornaamste attribuut van de dude is, dan trek je dat vest aan of niet. Je neemt een rol op je of niet. Je kiest voor een bepaalde deugd of karakter of niet. Nu eventjes niet. Ook in die zin is het vest een statement. Een vest kun je even ergens neerleggen. Je trekt het uit wanneer je het warm hebt of wanneer je spaghetti met rode saus eet en bang bent dat je vest wordt bespat.

Moet ik toch weer even aan de film denken, aan de scène dat de bowlingmaat is overleden en de dude met zijn andere bowlingmaat de as wil uitstrooien vanaf een rots bij zee. Helaas waait de wind landinwaarts en krijgt de dude alle as over zich heen. Geeft niet, zegt hij. Wel verwijt hij zijn vriend dat hij bij zijn speech over Vietnam begon, de dode had helemaal niets met Vietnam te maken. Het is dus toch de combinatie van relaxtheid en gevoeligheid die het wint bij de dude.

De film speelt een spel met onverschilligheid en aandacht. Details krijgen plotseling aandacht, grote zaken als Vietnam doen er eigenlijk niet zo toe. Het spel wordt verder gesymboliseerd door de bowlingballen die er meer toe doen dan wat ook. De dude is een bowlingbal, in een musicalscène glijdt hij tussen de benen van de dames naar de kegels.

Ik vergeet even de raison d'être van deze blog. Dat was niet zozeer de film als wel de vraag of jij en ik ook een dude kunnen zijn. Ja, zeg ik voorzichtig. Er is blijkbaar iets bowlingbalachtigs in mij waardoor we het leven kunnen opvatten als een gladde baan richting kegels, en die kegels vallen om. Dat geeft een bepaald geluksgevoel. Dat gevoel ligt binnen bereik. Altijd al. Denk aan het epicurisme waar de atomen naar beneden vallen, af en toe afgewisseld met een plotselinge zijwaartse beweging. We vallen zoals de ballen richting de kegels, en ergens is er plaats voor genot in dit proces, het draait om genot.

Ik zie de regels vallen bij elke die ik schrijf. Regels zijn kegels. Strike!

zaterdag 11 juli 2020

Rest ons de weerstand

'Dat zijn de dragers van onze beschaving!' riep een ouder tegen mijn vriend, of misschien zijn vrouw, daar wil ik vanaf wezen. Als je gezellig zit te drinken en te eten kun je weleens detailtjes vergeten. Het waren gymnasiasten die door hun ouders werden opgewacht. Mijn vriend, of dus misschien zijn vrouw, riep nog terug dat de stratenmakers misschien eerder dat fundament hadden gelegd. Maar die reactie ging in de nevels verloren.

Zo komt het dat ik ook nog niet weet waar ik aan toe ben. Ik word geacht de gymnasiasten te vormen, maar beweeg me dagelijks voort over de straten die gelegd zijn, en weet zelfs dat ons woord straat afkomstig is van het werkwoord sterno = uitspreiden, neerleggen, voltooid deelwoord stratus. Er is iets voor me neergelegd, een straat, en daarover gaan de gymnasiasten die ons zullen leiden. Mijn vriend legde me uit dat hij bij leiding ook dacht aan iets hols, er gaat wel iets doorheen, maar daarvoor moet die leiding dus hol zijn.

Mijn vriend en ik zijn in de opleiding gevormd door filosofen, en die behoren tot een wereld die we steeds meer als hol zijn gaan ervaren. Er wordt wel gedacht, maar vooral over posities, posities die je inneemt, verliest en als je taai bent weer herovert. Het woord positie komt overigens van het werkwoord pono, zetten, leggen, voltooid deelwoord positus. Je zou nu al gauw kunnen denken: waar iets wordt geponeerd, wordt ook iets gedeponeerd. En daar zaten we dan, op ons terras. Niet taai genoeg bevonden, niet resilient, afgeleid van re-salire, terugspringen, terugveren. We zaten daar maar.

We hadden ooit vrienden met interessante, sterke denkbeelden. Ze verwachtten iets van ons, al was niet helder wat precies. Hoe dan ook trad er een effect op dat niet adequaat was aan die verwachting. Anders hadden ze ons niet weggeblaft of weggezwegen. Of misschien ook was het een test, een socratische of nietzscheaanse test waarmee ze wilden bekijken of zelfs uitlokken of we wel konden terugveren. We hadden dan de edele functie gehad van een revenant, een spook dat de toekomst komt brengen, de terugkomer of terugveerder.

Maar er moet ergens een onderscheid zijn tussen de dragers en de restanten, de restanten die ook altijd zorgen voor enige weerstand, de resistanten. Als er geen resistanten zijn, zijn er ook geen dragers of stichters. Dan zou iedereen drager of stichter kunnen zijn. Zittend op ons terras, met onze koffie en whisky, ontdekten mijn vriend en ik dat we geen dragers of stichters waren. Wat waren we dan wel? Hadden we nog taaiheid, veerkracht? Of zochten we een ander spel met andere spelregels? Morgen worden we wakker en gaan we door met onze dingen. Het spel verandert niet, de regels niet.

Rest ons de weerstand. We staan ergens, zitten ergens. Het denken zoekt zich een weg, niet alleen via de dragers en leidingen, maar vast ook wel via de restanten, de gedeponeerden. Wie geleidelijk gewend raakt aan de wereld buiten het wereldje staat open voor een bries of vlaag. De geest waait waarheen hij wil, hebben we horen zeggen.




donderdag 9 juli 2020

Het is jouw verantwoordelijkheid

Er is iets grandioos mis met de verantwoordelijkheid. Het werd ooit een kernbegrip in de opvoeding en de moraal. Je voelt dat nog na bij Femke Halsema die de anderhalve meter alleen kan opleggen door te steunen op de eigen verantwoordelijkheid.

Je kunt natuurlijk zeggen dat de verantwoordelijkheid te vaag is. Maar dat is dan weer te makkelijk. Maak je namelijk de verantwoordelijkheid specifiek, door uit te leggen waarin precies onze verantwoordelijkheid schuilt, dan verglijdt de verantwoordelijkheid in de plicht. Plicht is iets wat je echt moet doen, en het is duidelijk wat dan precies. Het is jouw verantwoordelijkheid, namelijk die anderhalve meter. Ja, plicht dus! Zeg dat dan gewoon.

Een ander probleem met de verantwoordelijkheid is de overname. Ik voel me verantwoordelijk voor jou. Daarom zeg ik je dit. Maar daardoor pak ik de verantwoordelijkheid van je af. Ja, nu zeg je natuurlijk dat ik me verantwoordelijk voel voor jouw verantwoordelijkheid. Zo zou ik die alsnog in stand houden. Maar zo werkt het niet, helaas! Met mijn verantwoordelijkheid voor jou wantrouw ik jou, inclusief jouw verantwoordelijkheid. En zo ben je die ineens kwijt. (Zou je wel willen, daar niet van.)

Minstens zo erg is het afschuiven. 'Het is jouw verantwoordelijkheid!' Hoezo dan, waarom niet die van mezelf? Ja, omdat ik me niet verantwoordelijk voel voor jouw verantwoordelijkheid, en daarom ben jij ook niet echt verantwoordelijk, want wie neemt daar dan verantwoordelijkheid voor??

En zo blijven we zitten met een monument, een relict, een lekke ballon of zelfs een ballon die geknapt is, de ballon van Banksy, van de girl in the bin. Echte liefde, maar alleen als je gelooft in een verleden zonder toekomst.

Ongezien is de verantwoordelijkheid verdwenen naar de coulissen. Wie durft het er nog over te hebben? Ja, Remkes vanochtend, de held die zijn verantwoordelijkheid neemt als anderen dat niet meer doen. Verantwoordelijkheid wordt dan zowat synoniem met Remkes' optreden. Die kan ons ineens toevallen, als we ergens invallen en geconfronteerd worden met incidenten zoals corona en boeren. En dan ook nog in naam van een erg nuchter denken in termen van oorzaak en gevolg, Nederland maakte te gemakkelijke keuzes voor natuurbescherming en had zich eerder moeten realiseren dat we die verdragen over vogels en de euro nooit hadden moeten tekenen destijds.

De verantwoordelijkheid zwaaien we gedag. Hij is van jou. Daarmee wil ik zeggen dat we de claimcultuur allang hebben betreden. Verantwoordelijkheid is schuld. Dus beschuldiging, uitleg, verdediging, afweer. Ik voel me verantwoordelijk voor mijn onverantwoordelijkheid, alsmede die van jou.

We zijn eruit, en we gooien het op een akkoordje. Een slotakkoordje.





zaterdag 4 juli 2020

Geestelijk infuus - Kollaard

Het is verleidelijk om een hond te zijn. Je wereld bestaat uit eten, je rondjes met je baas, je mand. Ergens heeft de hond er wellicht besef van dat hij geestelijk infuus is van zijn baas.

De baas hoeft daar weinig aan toe te voegen. Hij hoeft het alleen maar op te schrijven, in mensentaal, en vanuit zijn ervaring van mens. Je moet sprekendheid en simpelheid combineren. Daar zijn vooral Nederlanders goed in. Ze houden van het alledaagse, van korte zinnen.

Als je dit bij Kollaard leest, snap ik heel goed waarom iedereen dol op hem is, zo dol als op je eigen hond. Hoewel hij in Zweden woont, loopt hij aan de lijn van de Nederlandse literatuur, en die lijn kun je weer zien als geestelijk infuus.

Toch is er ook een andere factor nodig, namelijk de filosofie. Het beestje moet een naam hebben. Wat krijgen we door dat infuus toegediend? Vergeet niet dat Henk van Doorn IC-verpleegkundige is, hij weet het nodige van infuzen. En dankzij Nietzsche kan hij het benoemen, namelijk levenskracht.

En zo komen we dat woord levenskracht tegen als datgene wat wordt toegediend door de hond, en door de schrijver in literaire vorm. Bij levenskracht maakt het eigenlijk niet uit of het loopt door het dier of door de mens. De mens is eindelijk met zijn taal verzoend, hij zoent de taal. Met dat woord levenskracht.

Nietzsche kon nog zeggen dat de taal een leger metaforen is, munten die langzaam slijten. Ook Henk weet dat alles slijt. Maar je kunt je altijd vasthouden aan het moment waarop alles samenvalt, geluk, levenskracht en de taal waarin je alles samenbalt in het woord levenskracht.

Ik zou er het woord patiënt aan willen toevoegen, voorzichtig, om de zaak niet te verstoren. Niet meer dan een voorzichtige vraag. Kunnen we net als Schurk (zo heet de hond) ons oprollen in onze zwakte alsof het een mand is die ons beschermt tegen de gruwelijke wereld? Henk kan het, en wie het boek heeft gelezen weet waarop ik doel, de scène met Mia. (De ander wil niet worden gespoild.)

Als hond, patiënt en schrijver van minder poëtisch proza heb ik een extra voordeel. Ik steek mijn neus even buiten de mand, krijg een paar likejes en word verder met rust gelaten.





zondag 21 juni 2020

Bakje water voor Ben Hur

Ben Hur werd afgemaakt. Niet in werkelijkheid, maar dan toch wel in de pers. Mijn wansmaak bereikt op zo'n moment grote hoogten, omdat er een wee gevoel uit mijn maagstreek opstijgt, maar op een bizarre manier past dat wel, bij de film en mijn leven. Er is een kluwen van kitsch, christendom, spektakel, de belofte om de oprechtheid te zoeken en daar helaas voor de zoveelste keer niet aan te kunnen voldoen.

Is er iets in de film waar we iets mee kunnen? Jazeker, en de sleutel ligt bij Jezus Christus. Die verricht een heldendaad door in te grijpen wanneer een melaatse wordt gestenigd. Hij valt over die melaatse heen en beschermt hem tegen de stenen. Later heeft Jezus het zelf moeilijk, wanneer hij met het kruis richting Calvarie loopt. Ben Hur geeft hem een bakje water. Helaas vinden de Romeinse soldaten dat niet goed, en slaan Ben Hur met de zweep.

Er treedt een interne verstrengeling op tussen afzien van macht en spektakel. Via het spektakel worden we verleid om af te zien van macht. En de reactie is dat we ons erover beklagen dat het spektakel niet spectaculair genoeg is. We willen graag een goede film. Begrijpelijk, niet alleen omdat we op de bank zitten met chips en recht hebben op dat spektakel, maar ook omdat we bezorgd zijn om de wereld en vinden dat anderen verleid moeten worden te geven om de melaatsen en de lijdenden, en de kans daarop is nu eenmaal groter met echt goed spektakel.

Dus, graag een betere Ben Hur volgende keer! Voor als we echt geven om die melaatse.
En: als we echt geven om die melaatse, dan moeten we ons op hem storten, zodat iedereen kan zien dat die melaatse onze heldendaad waard is.

 Christus geneest een melaatse, Rembrandt van Rijn, ca. 1650 - ca ...

maandag 15 juni 2020

Onderhandelen met de geesten - Angela Roothaan

De noodzaak om te onderhandelen kennen we allemaal. Soms kun je iets niet veranderen, of het nu om terroristen gaat of om het virus. Maar je moet wel door. Dan schakel je over op plan B. Derrida heeft daar ooit de formule voor bedacht: onderhandelen met wat niet onderhandelbaar is. Dat zou je kunnen zien als een korte samenvatting van zijn ethiek, die hij ontwikkelt in zijn venijnige dialoog met Levinas. De Ander kan nooit een punt van onderhandeling zijn, zhij is het meest ononderhandelbare wat er is. Maar er is ook altijd de ander van de ander, en zo word je toch weer gedwongen om, juist omwille van de Ander, zelfs over het ononderhandelbare te onderhandelen.

Onderhandeling in het Frans of Engels gaat terug op het Latijnse negotium en het werkwoord negotior, handeldrijven of bankierszaken doen. Het is de ontkenning van otium, vrije tijd, nietsdoen, rust, vrede. Ik moet bij otium behalve aan Agamben ook denken aan een gedicht van Catullus (84-54 v.Chr.), waarin hij zijn bewondering voor Sappho tot uiting brengt in een parafrase die hij tot zichzelf richt:
Niets doen, Catullus, wordt nog jouw ondergang;
niets doen maakt je te blij en overmoedig;
niets doen heeft vroeger doen vallen heersers en
bloeiende steden.
(Carmen 51, vert. Lucette Oostenbroek)

Voor mij is de sprong van Derrida naar Agamben zeer verleidelijk, en die overgang lijkt ook onvermijdelijk als je dit vanuit diverse invalshoeken bekijkt. Het belangrijkste verschilpunt is de interpretatie van de letter bij Aristoteles. Derrida startte zijn metafysicakritiek met de constatering dat de letter in de filosofie sinds Plato en Aristoteles steeds wordt bezien vanuit de stem. Dat was wellicht iets te snel. De letter maakt evengoed deel uit van de betekenis als de stem. Daardoor slaagt Derrida er volgens Agamben niet in om afstand te nemen van de metafysica.

Het is dus niet uitgesloten dat we in de metafysica blijven hangen als we in onze verhouding tot de ander blijven aarzelen tussen onderhandelen en niet onderhandelen. In beide gevallen sluiten we onszelf uit van het otium. Inzet van onze ethiek is hoe dan ook de onderhandeling, hoe onmogelijk die ook is. Maar ik zei niet voor niets dat de overgang naar Agamben voor mij te verleidelijk is, te makkelijk ook. Daardoor loop ik gevaar me te verschansen in een nieuwe dogmatiek: eerst die van Derrida, nu die van Agamben, wat me overmoedig maakt. Daarom heb ik mezelf even op de vingers getikt met Catullus, die de schaduwzijden van het nietsdoen belicht.

Nu ik het boek van Angela Roothaan heb gelezen, hoop ik door mijn zelfkritische move meer open te staan voor de belangrijke zaken die ze opwerpt. Oké, alles lijkt te draaien om de onderhandeling, getuige haar ondertitel 'Negotiating the environment'. Is het inderdaad allemaal een kwestie van geven en nemen, van een religieuze verhouding tot de natuur waarin we bereid zijn offers te brengen om de Ander gunstig te stemmen zodat zhij haar gulle gaven blijft geven? Of zijn we zozeer verweven met de natuur en het milieu dat het systematisch onhelder is wie iets geeft aan wie?

Gaandeweg zag ik dat het boek van Angela allesbehalve dogmatisch is. De ene keer worden wij moderne mensen gemaand om onze hybris op te geven, als startpunt van een doelgericht proces dat moet uitlopen op een interculturele dialoog. Dat kan ons à la Catullus nog behoeden voor de ondergang. De andere keer is Angela zelf al op exemplarische wijze betrokken in die interculturele dialoog, en projecteert ze die zelfs terug, zoals naar de Belgische priester Placide Tempels (1906-1977), die als missionaris naar Afrika ging en daar zo onder de indruk raakte van de levensbeschouwing van de inheemsen dat hij aan hen een heel nieuwe ontologie ontleende, en werd hij een soort missionaris in omgekeerde richting. Op zo'n moment ben ik niet erg geneigd zijn ontologie te zien als een spookhuis, waarin ik achterna word gezeten door een geest die me wakker schudt uit mijn zelfvoldaanheid. Integendeel, ik vind het boeiend en leerzaam, en krijg zin om dat boek van die priester eens te lezen.

In een opzicht voel ik me wel zelfvoldaan. Ik dreig soms te vervallen in dogmatiek door me op te sluiten in de denkwereld van een coryfee, eerst Derrida, nu Agamben. Angela skipt met ogenschijnlijk gemak van de ene idee naar de andere, ze verwoordt de stemmen van voor mij onbekende denkers, en houdt en passant een pleidooi voor een ontologische beschouwing van praktijken zoals het sjamanisme, die door de moderne wetenschappelijke geest naar de buitenwereld zijn verbannen.

Met een blog als deze probeer ik te varen tussen de Scylla van de kritiek (recensie) en de Charybdis van de prijzing. Ik zoek samenhang, een samenhang die evengoed onzichtbaar wordt door fascinatie als door eenzijdige analyse. De eenvoudigste weg daartoe is gewoon lezen, de pragmatiek van het lezen, bij elk hoofdstukje weer opnieuw beslissen wat ik ermee kan, hoe het aansluit bij ideeën die ik belangrijk ben gaan vinden.

Nu ben ik zelf niet zo'n goede onderhandelaar. Ik herinner me een lezing voor een kleine groep, in de tijd dat ik nog filosoof was, voor een kleine groep. Ik probeerde uit te leggen waarom we altijd moeten blijven onderhandelen, ook met terroristen. Een vrouw werd vreselijk kwaad. Het lukt me op geen enkele manier om haar te overtuigen. In zekere zin was die vrouw voor mij erger dan een terrorist, want met haar had ik te maken.

Misschien, denk ik nu, was ik me in die tijd al aan het voorbereiden op een post-negotium, mijn tijd dat ik niet meer betaald werd voor mijn denken, en wie weet zelfs mijn otium. Daarin schuilt zeker iets van onmacht. Maar nu, twintig jaar later, probeer ik mijn otium te gebruiken als een kans om het leven te leiden waartoe ik in staat ben.

Hoe kunnen de geesten van Angela me daarbij helpen? Zou ik hen als leermeesters kunnen zien die me leren om te onderhandelen, handel te drijven, op mijn manier, met mijn vermogens, niet vanuit de slaafse onderwerping aan de Ander, maar vanuit mijn zijn en mijn milieu?

Met maar heel weinig inspanning (passend bij het otium) zie ik hoe Angela zich probeert te situeren binnen een kantiaanse visie op educatie (en daarmee verbonden is met het otium dat de Latijnse vertaling is van het Griekse scholè). Dan zie ik dat het Angela niet gaat om zomaar welke onderhandeling dan ook, maar om ware onderhandeling:
'To arrive at true negotiations we should start by looking honestly at the ways modern society makes us live. We should look into the ways colonials introduced legislation of land ownership while denying already existing indigenous legal systems. Into the ways modern liberal democracies even today denigrate indigenous education of children while stressing all children should get modern education in schools.' (Roothaan, 20190523, pp. 138-139)
Roothaan, A.  (20190523). Indigenous, Modern and Postcolonial Relations to Nature [VitalSource Bookshelf version].  Retrieved from vbk://9780429808227
Controleer de nauwkeurigheid van citaten altijd goed voordat u deze gebruikt.

Onderhandelen mag dan iets zijn waarvoor je meer of minder talent hebt (ik heb het bijna niet), je kunt het wel leren. Nu is de vraag of je dat moet doen op een moderne manier, in scholen, of dat je meer oog kunt hebben voor het al bestaande onderwijs van inheemsen. We hebben met andere woorden te maken met levensvormen die vragen om bepaalde manieren van inwijding die bij die levensvorm passen.

Er zijn zoveel verleidingen en misverstanden die bij deze onderneming op de loer liggen. Zo kunnen we er een cultureel antropologisch project van maken, waarbij we voorbijgaan aan de manier waarop onderzoekers bewust of onbewust zijn ingeschakeld in de postkoloniale kolonisatie, waarbij de culturele en economische dominantie van het Westen alleen maar wordt verstevigd. Ook kunnen we van de weeromstuit de inheemse culturen gaan verheerlijken, waardoor we er in feite een plaatje van maken dat de dynamiek van die levensvorm zelf tenietdoet en daarbij ook nog onze relatie ertoe.

Wat zou 'waar' onderhandelen kunnen betekenen binnen een situatie waarbij we ons met de ander bevinden in een netwerk waarbij de posities gedeeld worden? Kunnen we dan volstaan met de kantiaanse oproep tot respect en verantwoordelijkheid? Kunnen we ons beperken tot een pragmatiek waarbij we de ontologie overlaten aan filosofen in hun otium? Angela sluit niets uit, verbindt al deze posities aan elkaar met ragfijne maar ook stevige draden. Arachnè.

Misschien hoeft er dus ook helemaal geen tegenstelling te bestaan tussen negotium en otium. Het kan bijvoorbeeld zijn dat de boom waaronder we liggen uit te rusten ook wordt gebruikt als plaats om recht te spreken, om in zijn schaduw handel te drijven of juist als demonische kracht die de religieuze redding blokkeert en moet worden geveld. De boom is met andere woorden een symbool voor al deze verschillende betekenissen en praktijken. Misschien leidt het ertoe dat we even de pas inhouden, dat we niet meteen iets omhakken voordat we er goed naar hebben gekeken. De boom wordt zodoende agens van opvoeding. Doordat we de boom, zou Agamben wellicht zeggen, gebruiken, op welke manier dan ook, verandert er iets in ons, wordt er een overgang mogelijk tussen onszelf als overmoedige westerlingen en de enorme wijsheid rond de boom waarvan we ons hebben afgesloten.

De dialoog waarnaar we op weg zijn zou die kunnen zijn van twee herders, Meliboeus en Tityrus, uit de eerste van de Bucolica van Vergilius (70-19 v.Chr.). Het kan best zijn dat je onder een boom lekker ligt te fluiten op je rug. Maar dat alles is mogelijk gemaakt door de god die niet alleen Vergilius zelf maar ook de andere Romeinen begunstigde. Ongetwijfeld wordt met die god Caesar Octavianus bedoeld, die geholpen met het geld van zijn vriend Maecenas oog had voor cultuur en ook bereid was om die te betalen.

Lang heb ik gedacht dat spiritualiteit iets zweverigs was, iets wat kon compenseren voor de materiële aspecten van het bestaan. Maar Angela kennende, en preciezer lezend wat ze zegt, ook in dit boek, weet ik dat we haar spiritualiteit beter kunnen opvatten als iets dat ook de materiële aspecten insluit. Ja, er is geld mee gemoeid, er moet worden onderhandeld en er moeten bankzaken geregeld worden om de wijsheid te bekostigen. Al die mannen met hun kettingzagen in de Amazone moeten we vrijkopen om de bomen te redden. En omdat we door allerlei relaties met hen verbonden zijn, moeten we ook voortdurend onszelf aanspreken. Zodoende kijk ik ook weer anders naar mijn otium, bijvoorbeeld de blog die ik nu in de tijd van mijn baas zit te tikken, en naar de Latijnse gedichten die ik aan mijn westerse leerlingen onderwijs, en waarvoor ik word betaald. Otium en negotium gaan zodoende vloeiend in elkaar over.

Meliboeus
Jij, Tityrus, die op je rug daar neerligt
onder een brede beukekruin vol schaduw,
jij kan je herdersdeuntje onbekommerd
improviseren op je dunne rietfluit! -
ik moet het vaderlijk domein verlaten,
mijn langvertrouwde vele landerijen,
ik word uit mijn geboortestreek gewezen!
Jij, Tityrus, luilekker in het lommer,
jij doet de bossen eindeloos herhalen
hoe mooi zij is, je liefje Amaryllis!

Tityrus
Een god schonk mij dit onbezorgde leven!
want gód blijf ik hem noemen, Meliboeus:
het bloed van een jong ooilam uit mijn kooien
zal dikwijls nog zijn huisaltaar bespatten.
Hij was het immers die genadig toeliet
dat je mijn ossen stoorloos kan zien grazen
en dat ik op mijn landelijke rietfluit
mijn liedjes pijp naar lust en naar believen!
(vertaling Anton van Wilderode)

muziekinstrumenten | Burkinafaso.jouwweb.nl


zaterdag 13 juni 2020

Fantaseren over Anna - Finse dagen van Herman Koch

Zonder maskers schrijven, kan dat? Herman Koch had er zin in, en deed het gewoon. In zijn roman Finse dagen schrijft hij over de tijd na de middelbare school, toen hij een tijdje bij een boer in Finland ging werken. Van zijn vader moest hij ontdekken wat hij met de rest van zijn leven wilde. Maar belangrijker voor Herman zelf was dat zijn moeder kort daarvoor overleden was. Je voelt aan dat het schrijven zonder maskers te maken heeft met het overlijden van zijn moeder, al weet je niet precies wat.

Dit niet precies weten is wat Koch ons voortdurend laat zien, en wat volgens recensent Rob Schouten misschien wel het bewijs is dat we met de echte Koch te maken hebben. Had hij in die tijd nu een zonnebril of niet? Ook blijven de scènes soms bewust vaag. Als hij zich wel iets precies herinnert, het meisje bij een dorpsfeest in Finland, haar haar met krulspelden, dan ziet hij haar later nooit meer terug, en lijkt het beeld los te staan van zijn verhaal en de rest van zijn leven.

Misschien ligt hier ook een sleutel om het verhaal aan de dood van zijn moeder te relateren. Herman zweeft zelf boven de afgrond en probeert zich zwevend te houden. Zijn moeder is net gestorven, maar Herman bezoekt als scholier gewoon feestjes en gedraagt zich losjes. Hij ziet dat de meisjes dat doorzien, maar tegelijk dat dit hem extra aantrekkelijk maakt. De meisjes helpen Herman om zich zwevend te houden. Ze ontzien hem tegelijk, ze noemen hem 'transparant' en niet meelijwekkend.

Er schuilt een paradox in deze losse houding. Herman zakt wel weg in de afgrond, maar laat dat aan niemand zien, 's nachts, huilend in zijn kussen. Ja, hij laat het wel zien, nu, 47 jaar later. Maar dat heeft iets raars als hij er meteen bij vertelt dat de meisjes hem toch wel doorzagen. Het laten zien van zijn gezicht krijgt dan iets van een masker, iets wat juist de verbinding tot stand brengt tussen de meisjes en de lege plaats die zijn moeder achterlaat.

Het lijkt er sterk op dat die meisjes juist niet transparant mogen zijn. De Finse Anna is niet gewoon Anna, maar wordt Anna Karenina. En zoals we hebben gelezen in die roman, moet de man die Anna ontmoet maar besluit om afstand van haar te nemen omdat hij al verbonden is met een andere vrouw, zijn leven vooral als boer leiden. Zo lijkt het logisch dat Herman al vroeg ontdekt dat hij niets anders dan schrijver is, maar Finland opzoekt om er te leven als boer. Finland? Ja, omdat in die dagen Rusland ontoegankelijk was, waar Finland staat moet je Rusland lezen, en waar Rusland staat moet je Russische roman lezen, dus Anna Karenina.

Als we dit maskerade noemen, maken we het ons misschien te makkelijk. Er is geen tegenstelling, daarin ben ik het met Rob Schouten eens, tussen de ware Herman Koch en zijn maskers. De echte tegenstelling bestaat tussen de schrijver die voortdurend zegt: dit ben ik, en zijn lezers vertelt dat zijn ware lezeres Anna is, de 'Finse' Anna die nu 47 jaar ouder is en waarover Herman fantaseert. Niet over Anna zelf, maar Anna als potentiële lezer van Hermans boek. Liever kunnen we dus van fantasma spreken, de verbeelding van de geliefde ander van wie we ons verbeelden dat die van ons houdt, om onszelf in zweeftoestand te houden.


History of Santa Claus Village in Finland - Santa Claus Village ...