zondag 20 januari 2019

Onbestemde stemming - De zwijgende klas

In de film Das schweigende Klassenzimmer vinden we eenzelfde structuur als in de geschiedenis van Die Weisse Rose. Een groep studenten, in dit geval scholieren, komt in verzet tegen de totalitaire overheersing. Daarbij laten ze zich mentoraal bijstaan door een oudere man die - ook hij, net als Kurt Huber bij Die Weisse Rose - iets met muziek heeft.

De scholieren fietsen een eind door het veld waar de oom van een van hen woont. Het is een boerderij die in de oorlog door de Russen in puin was geschoten. De man is homo bovendien (homo's werden hard aangepakt in de DDR) en de kinderen zien hem naakt uit het meertje stappen. Bij hem kunnen ze RIAS luisteren, de westerse radio die voor de DDR vijandradio is. Het luisteren naar die radio betekent eigenlijk al dat je zelf volksvijand bent. De kinderen horen via de radio hoe het gaat met de Hongaarse volksopstand van 1956. Dat inspireert hen tot twee minuten zwijgen in de klas.

De klas wordt hard aangepakt. Zelfs de minister van Onderwijs komt zich ermee bemoeien. Uiteindelijk krijgen ze de kinderen niet in het gareel, omdat ze in die tijd nog kunnen vluchten naar het Westen. Het is vijf jaar voor de bouw van de muur.

Wat mij nu interesseert is waarom de regisseur ervoor kiest om de man in de boerderij piano te laten spelen bij de kinderen op het moment dat de Hongaarse opstand mislukt. Al daarvoor kon je het voorblad van de pianopartituur op het plankje lezen: Bartók, zijn Rumänische Volkstänze. Het wordt de achtergrondmuziek van de volgende scène, wanneer een van de jongens met de vriendin van zijn beste vriend naar buiten loopt en ze elkaar kussen. Zodoende wordt het persoonlijke politiek. Want een andere vriend ziet hen, brieft het door, en de liefde gaat interfereren met de ontplooiing van de politieke inquisitie.

Hoe moeten we die muziek nu beluisteren? Kunnen we haar überhaupt duiden? Of moeten we spreken van dispositie zoals we dat hebben begrepen bij de politieke filosofie van Aristoteles? In dat geval kunnen we het spoor Agamben volgen, die de muziek graag wil inzetten om de taal te onderbreken. Het is een half interne, half externe kracht die de het lopen der radertjes stillegt, ook als we dat niet direct merken.

Ik vermoed dat het juist niet de bedoeling is dat we dit merken. Als je er teveel aandacht aan geeft ga je het duiden in termen van taal. De kracht van de muziek gaat verloren doordat we hem reduceren tot taal, dan gaat de taal weer door en vervalt de kans om ons van die taal als zodanig bewust te worden. De kinderen besteden in de film dan ook geen aandacht aan Bartók. Dit geheel in onderscheid tot de pop- en jazzmuziek die een feeststemming uitlokt en de radiogeluiden van RIAS versterkt.

Bartók is ook niet zomaar nationale Hongaarse muziek. Het is natuurlijk al veelbetekenend dat het gaat om de Roemeense volksdansen, de Roemenen vormden (en vormen) een minderheid binnen Hongarije. En Bartók was niet zomaar symbool van de volksopstand, hij was in 1940 al naar de VS geëmigreerd. Misschien verklaart dit waarom er zo'n onbestemde sfeer ontstaat. De groep, die tot het eind van de film zijn eenheid koestert, staat op het punt om bij de oom te vertrekken, en het is dus het moment van de overspelige kus.

Misschien moeten we niet zeggen dat we de muziek niet kunnen duiden, maar dat we bij alle duiding steeds essentiële zaken over het hoofd zien. Zo wordt onhelder wat nu precies het politieke resultaat of effect van de actie is. Het schoolhoofd mompelt aan het eind dat de Hongaren er niet mee zijn geholpen. Daar heeft hij een punt. Het enige wat je kunt bedenken is dat de leerlingen nu in het Westen abitur kunnen doen, wat goed Latijn is voor 'er wordt weggegaan'. Weggaan als opening naar de toekomst. Maar dan wel een toekomst zonder concrete vooruitzichten voor hun familie en land.

Een andere onbestemde richting is de ontdekking van het verleden, of in termen van een vorige blog: de breuklijnen die zichtbaar worden door de vochtplekken achter het behang. De trouwste socialistische leerling put inspiratie uit het heldhaftige verleden van zijn overleden vader, maar raakt totaal gedesillusioneerd als hij erachter komt dat zijn vader een verrader in de oorlog was. Ook aarzelen de socialistische autoriteiten niet om deze jongen te vragen zijn klasgenoten te verraden. Bij de executie van die vader was een andere vader van een leerling betrokken. Al die vaders zwegen over hun rol bij politieke gebeurtenissen.

Het startpunt van deze ontdekking is relatief helder, de stakingsactie van de zwijgende klas en de harde reactie van de autoriteiten. Maar de kijker voelt zich al gauw verzand in al die complexe politieke verwikkelingen. Ook de filmcritici hebben het er moeilijk mee. Kun je dat de kijker wel aandoen? Die wil gewoon bevestigd zien dat de DDR en het fascisme allebei fout waren, en wijzelf gelukkig niet. Dan kunnen we het tenminste volgen.

Zodoende wordt achter ons verlangen om te begrijpen wat er gebeurt langzaam een onbestemdheid voelbaar die wordt geëchood in de muzikale stemming van Bartók.

Afbeeldingsresultaat voor bartok america

zaterdag 19 januari 2019

Een slaapverwekkende roman - Ottessa Moshfegh

Het liefst schrijf ik blogs waarin de essenties van mijn vorige blogs samenkomen, en dat ook nog met een min of meer toevallige aanleiding. Soms is het toeval te mooi en denk ik dat ik gestuit ben op de tijdgeest of dat ik onbewust mijn gedachten aan het regisseren ben. Maar hoe dan ook ben ik via Agamben en Benjamin aan het denken over rust als iets dat ons kan redden. En daarover heb ik net een roman gelezen, My year of rest and relaxation (2018) van Ottessa Moshfegh.

Er wordt niet veel verteld in deze roman. Het is gewoon een vrouw, de ik-figuur, die heel veel slaapt. Daarmee heb je de plot wel zo'n beetje verteld. Ze maakt gebruik van slaapmiddelen. Ze heeft een vervelende vriend en een aardige vriendin. Een problematische voorgeschiedenis, de dood van haar ouders, wil wel helpen voor de identificatie. Maar sympathiek is de schone slaapster zeker niet. Ze is vooral met zichzelf bezig.

Terloops zegt de ik-figuur dat ze een nieuwe spirit hoopt te krijgen door zo veel te slapen. Dat lukt haar nog ook. De roman sluit af met wat we allang zagen aankomen, de aanslag op de Twin Towers. De hoofdpersoon slaagt erin met een soort onpersoonlijke liefde naar de vallende vrouw uit de toren te kijken, 'a human being, diving into the unknown, and she is wide awake.'

Kijk ik terug naar Benjamin, met name een opmerking in zijn Passagenwerk, dan lijkt het of de slaap in deze roman een passage is, de opmerking dat we de bouw van de Parijse passages in de negentiende eeuw moeten zien als het zichzelf in slaap brengen van de bourgeoisie. We kunnen de roman van Moshfegh lezen als een (misschien onbedoeld) commentaar op die gedachte. De hoofdpersoon sluit zich een paar maanden op in haar appartement om te kunnen slapen, waarbij ze geholpen wordt door een kunstenaar die haar gebruikt als model voor zijn schilderijen. Die schilder is niet al te best, en gebruikt zijn ideologische praatjes om die kunst te kunnen verkopen. Die praatjes zijn mede gevormd door maatschappijkritische filosofen als Benjamin:
'School is not for artists. Art history is fascism. These paintings are about what we sleep through while we're reading books our teachers give us. We're all asleep, brainwashed by a system that doesn't give a shit about who we really are. These paintings are deliberately boring.' (p.221)
De ik-persoon vindt dit geen origineel idee. Ze is bezig met haar slaap en wedergeboorte. Maar hoe zit het met de schrijver? In een interview bekent ze dat ze houdt van Whoopi Goldberg, omdat die zo echt is, wat overkomt door alle dikke lagen illusie van de films waarin ze speelt.

Er is dus in deze roman, en misschien ook wel in alle blogs die ik de afgelopen jaren geschreven heb, iets anders aan de hand dan maatschappijkritiek. Het gaat om niets minder dan authentiek leven. Door een park lopen en kijken naar de vogels en de lucht. Dat soort dingen. Erg simpel dus.

Nu is deze echtheid zeker een gedachte die centraal staat bij Benjamin en bekend is van zijn kompaan Adorno. Maar ook de doorgewinterde maatschappijcriticus denkt bij authenticiteit al gauw aan twee onverenigbare zaken. Hij denkt aan de indiaan in ons bewustzijn, die als Ton Lemaire steeds verder van de stad gaat wonen. Dat gebaar zien we zeker ook in de roman van Moshfegh, de vrouw die zich een paar maanden opsluit om te slapen. De andere richting is die van de politiek, waarin de instituties ons steunen bij de zoektocht naar het goede leven. Dat lazen we een paar dagen geleden in het interview met filosoof Maarten Coolen. Het Passagenwerk van Benjamin sluit ook vooral hierbij aan.

Beide zaken zijn onverenigbaar omdat de cultuur alomtegenwoordig is, en die cultuur is kapitalistisch en burgerlijk. Er moet gewerkt worden, en we hebben de media nodig om onze relaties met anderen te kunnen onderhouden. Zo raken we steeds verder verstrikt.

Het knappe van Moshfegh is dat ze beide onverenigbare perspectieven zo nauw samentrekt dat we al lezend zelf worden meegezogen door de passage. Daarvoor gebruikt de auteur een truuk die ze van haar moeder heeft geleerd: schrijf iets dat ongeveer net zo lang duurt als de tijd die het lezen van de roman in beslag neemt. De lezer maakt zodoende alles mee in real time.

Dat is slaapverwekkend. We gingen die roman juist lezen omdat onze realiteit saai is. Daar wilden we juist aan ontsnappen. Het is dus ook nog eens frustrerend. Een saaie roman, wie zit daar nu op te wachten? Is dat niet het praatje van die matige kunstenaar die wil dat zijn publiek van hem houdt en/of hem haat? De schok ook van Baudelaire en de jetztzeit van Benjamin? Ja, deels wel. Maar we hadden al gezien dat die schok deel uitmaakt van het universum van de passages, dankzij de schok duiken we opnieuw de passages in en vallen we in slaap. Het gaat dus niet om het spektakel maar om het motje dat om de vlam danst en verteerd wordt.

En zo kan het gebeuren dat we eventjes niets en niemand zijn. Nacht. Wat ons daarna kan overkomen is dat we zelf Whoopi Goldberg zijn of de springende vrouw op nine eleven. Maar niemand die het weet.

Afbeeldingsresultaat voor doornroosje

woensdag 16 januari 2019

Vochtplekken achter het Europese behang - Van de Wijdeven

De titel van het boek van Ivo van de Wijdeven over Europa verraadt dat deze historicus nadenkt aan de leidraad van aansprekende beelden: De rafelranden van Europa. Rafelranden, daarbij denk ik aan iets dat slijt. De heldere grenzen maken plaats voor onheldere zaken, noem het randen, zones, en de naamgeving wordt al een probleem, zodat je op de suggestieve beelden moet terugvallen om helder inzicht te krijgen.

Een nog suggestiever beeld, maar ook nog meer to the point, vond ik op p.266:
Maar zoals vochtplekken onder het behang vroeg of laat weer tevoorschijn komen, zo ging het ook met de oude breuklijnen binnen Europa.
Het Verdrag van Schengen had de binnengrenzen uitgewist, maar nine eleven zorgde ervoor dat de oude breuklijnen weer gingen opspelen. En nu zitten we weer met die brexit en is er al geoefend met de lange rijen vrachtwagens.

Ik kwam zoals wel vaker bij een boek als dit dankzij een collega op school. De school is behalve een leergemeenschap blijkbaar ook een kennisgemeenschap, en wie weet een denkgemeenschap. Het denken gebeurt nauwelijks in uitwisseling. Maar je kunt nooit weten of achter dat behang van de roosters en leerdoelen oude vochtplekken zitten die vroeg of laat tevoorschijn komen. In blogs zoals deze probeer ik dat een zetje te geven.

Lezend in Van de Wijdeven valt het me moeilijk om mijn denken te laten kristalliseren. Ik zie de schetsen van de oude conflicten waarbij politieke macht of dominantie steeds de inzet is. Daarnaast zijn er onderschatte factoren, zoals de angst dat de rivaal steeds meer druk zet wat je dwingt tot zelfverdediging. Ik heb het nu over Rusland. Vervolgens is er de noodzaak om de verdediging om te zetten in aanval: aanval is de beste verdediging.

Dat leidt tot misverstanden, die in dit boek veelal impliciet blijven, achter het behang. Mij leek dat de idee van Europa als een scherp begrensd geheel de eminente gestalte van dit misverstand was. Maar dan lees je ook weer beschrijvingen van de geografische eenheid Europa die je serieus moet nemen, omdat ze een consensus uitdrukken. Het is dus de vraag waar het misverstand vandaan komt. Wellicht is het de droom van een geïntegreerd Europa. Deze is belichaamd in de politieke eenheid van de Europese Unie.

Ik herinner me dat ik met mijn gezinnetje in het jaar 2004 min of meer per toeval logeerde in een hotelletje om de hoek bij het Europese parlement in Brussel. Juist toen werd de toetreding gevierd van maar liefst tien staten tot de Europese Unie. Met een treintje lieten Inez en ik ons met onze twee dochtertjes rondrijden langs kraampjes met allerlei Disney-achtige opblaasfiguren van al die staten, Litouwen enzo. 's Avonds vuurwerk. Wij waren intussen vooral geïrriteerd door een ventilatie-rooster waaruit steeds een hoop geluid kwam. Knulliger kun je het haast niet bedenken. Europa.... ach Europa...

Nauwelijks minder knullig is het beeld waarmee Van de Wijdeven zijn boek besluit. Hercules moet zijn twaalf werken volbrengen, waaronder het afhakken der koppen van de slang Hydra. Dat lukt hem niet alleen, want voor elke kop die hij afslaat groeien er twee terug. Dan heeft Hercules ineens een idee! Zijn neef Iolaus moet hem helpen. Die moet de nekken dichtschroeien zodra de koppen zijn afgehakt, zodat er geen nieuwe kunnen groeien. Hetgeen geschiedt. Zodat het toch weer de Grieks-Romeinse mythologie is die de oorsprong is van de idee Europa. Verenigd onder het banier 'Eendracht maakt macht'. Het aloude verlangen dat Europa met één stem moet spreken.

Zo zouden dan toch weer de rafelranden moeten worden bezworen met een droom, de Europese droom of idee. Kort samengevat is deze gebaseerd op een samengaan van geografische en politieke eenheid. Vandaar de tamelijk bekende beschrijvingen van de machtsconflicten in dit boek. Het herstel van scherpe grenzen is mogelijk, mits we Europa weer in het perspectief zetten van de aloude machtsconflicten, waarbij we macht opvatten als politieke controle vanuit een denkbeeldig centrum, met name de staat.

Wat bij deze invalshoek systematisch onderbelicht blijft is bijvoorbeeld de economie. Hier en daar piept de economie tevoorschijn. Lezen we een zin als de volgende, over de achttiende eeuw:
Door de invoering van een eenheidsmunt en het instellen van organen als centrale banken, rekenkamers en statistiekbureaus werd het bestuur gerationaliseerd en konden de Europese mogendheden de beschikbare economische middelen vertalen naar bestuurlijke en militaire macht. (246)
Die economische middelen ontbreken soms volledig in een bepaalde ideologie, zoals de vijf pijlers van Rusland (leger, bureaucratie, orthodoxie, autocratie, nationaliteit). Geen economie te bekennen. Toch drijft de macht van de Russische staat op dit moment op gas en olie. En natuurlijk de media's. Hebben die geen geschiedenis? In gebruikelijke historische overzichten komen die factoren pas aan het einde opduiken. Misschien, denk ik dan, zijn die politieke conflicten ook maar weer behang waarachter vochtplekken schuilgaan die ineens tevoorschijn komen. Zodat je weer verlangt naar de analyses van Marx van de economie der oude Romeinen, of natuurlijk mijn Agamben met zijn genealogie van het begrip economie.

Het is niet mijn bedoeling mijn lezing te laten uitmonden in een kritische beoordeling. Dat is niet alleen oninteressant, het roept ook de vraag op waarom ik u zo nodig moet lastigvallen met het zoeken van mijn weg langs en achter het Europese behang.

Welnu, ik denk dat we op een interessant spoor worden gezet door de aanprijzing van Trouw op de voorkant: 'Historicus zet crises in perspectief. Verplichte kost voor opgewonden standjes.' Recensent Paul van der Steen verwijst met die formulering naar de politici en opiniemakers. Het belangrijkste effect van de degelijkheid van Van de Wijdeven is de relativering. Komkom! Het is allemaal weleens erger geweest jongens!

Het zwaartepunt verschuift zodoende van de militaire conflicten naar de economie, en van de economie naar de media. De media zijn steeds dominanter geworden, en binnen de media de opgewonden standjes. En zo zouden we ook met terugwerkende kracht de geschiedenis van de media kunnen schrijven. Totdat we erachter komen dat de geschiedschrijving in zekere zin zelf zo'n medium is...

Kijken we bijvoorbeeld naar de vader der geschiedschrijving, Herodotus. Hij reisde graag, en bedacht dat Griekenland niet voor niets had kunnen winnen van de veel machtigere Perzen, de barbaroi. Die Herodotus trok de aandacht met verhalen over koningen die 'verliefd werden op hun vrouw', en maakte zich zodoende al verdacht in de ogen van zijn opvolger, de generaal Thucydides, die voorbij het trekken van de aandacht iets probeerde te schrijven dat 'een bezit voor altijd' was.

Maar laat het nu diezelfde Herodotus zijn die de tegenstelling tussen Europa en zijn oosterburen kon relativeren op het moment dat hij die uitvond. Zozeer zelfs dat hij door sommige Grieken als 'barbarenvriendje' werd beschouwd. Er bestaat dus een begenadigde koppeling tussen spektakel en relativering, en die koppeling vinden we onder meer in de geschiedschrijving.

Hoe belangrijk is die koppeling om zicht te krijgen op de crises (brexit, Poetin, etc.) en de berichtgeving daarover? En hoe kunnen we onze weg daarin vinden? En hoe helpt het boek van Van de Wijdeven ons daarbij?

Er zit een sterk normatieve drive achter de degelijke beschrijvingen, een erfenis van het neokantianisme. Iets onvoorwaardelijks, 'categorisch'. Het schrikt af wanneer je je tezeer bewust bent van de verschrikkingen van de twintigste eeuw die van alles te maken heeft met Bildung. Maar er zit ook iets weldadigs in. Dat kunnen we omschrijven met relativering, neutralisering, suspensie, het indifferente. We denken bij dat soort termen altijd aan relativisme, alsof het niets met moraal en ethiek te maken heeft. Maar het is wellicht de kern van elke ethiek, de kern die schuilt in de ervaring dat de dingen gaan zoals ze gaan, en dat we erin meeglijden.

Geen omgeving die je dat besef beter bijbrengt dan de school. Vernieuwingen volgen elkaar in snel tempo op, en je moet gewoon mee. En ach, het is altijd zo geweest, zeggen de oudere docenten. Niet dat het echt helpt, maar ze vestigen hun hoop niet meer op een toestand waarin we definitief bevrijd zijn, in een domein waarin we beschermd zijn tegen de barbaren. Dat inzicht helpt een beetje.

We weten nu dat we een sterke vrede achter de rug hebben, en dat de oorlog weer langzaam binnendruppelt. Niets nieuws onder de zon. Op naar de volgende vrede, en wat ons er het snelst zal brengen is de relativering.

Afbeeldingsresultaat voor amor schnecke



zaterdag 12 januari 2019

Bloggen in de deeleconomie, aha

Als iemand me wil beïnvloeden heeft z/hij redelijk vaak succes. Van een leerling die mij een psychologische test stuurde, die ik dus ook deed, begrijp ik dat ik een obliger ben. Zelfs als iemand helemaal niet de bedoeling heeft me een bevel te geven, vat ik dat toch meteen zo op. Verzoeken, uitnodigingen, kritiek, complimenten, altijd denk ik dat ik er iets mee moet.

Het heeft zeker ook met mijn narcisme te maken. Gauw gekrenkt, daar kun je het aan zien. Nu zijn er vele narcismen, en Narcissus was niet verliefd op zichzelf, maar op het beeld dat hij voor zich in het water zag. Maar toch, mijn narcisme is hinderlijk voor mezelf en natuurlijk ook voor anderen. Ze worden heel voorzichtig en dan nog...

Ook getuigt het van narcisme als je zowat elke blog, en ook deze weer, begint met leuteren over jezelf. Het is natuurlijk maar een strategie, die van de meeste columns en blogs, maar toch. Wie zegt me dat ik via mezelf over mijn lezers kan schrijven? En stel dat dat lukt, bewijst dat niet dat ik helemaal niet uitzonderlijk ben, en krenk ik mezelf dan niet?

Waar ik naartoe wil is de twijfel die toesloeg toen ik Hélène Grimaud las. Deze geweldige pianiste ontdekte na haar spirituele reis door Italië dat ze muziek teveel zag als streven naar perfectie, waarbij ze zich afschermde van haar publiek. Voortaan zou ze het publiek met meer overtuiging opzoeken. Het kan niet de bedoeling zijn dat je de ander slechts als stoorfactor beschouwt.

Ik vatte deze spirituele ontdekking meteen op als een bevel, obliger die ik ben.

Meteen zocht ik weer facebook op, waarvan ik me al een tijdje had teruggetrokken. Ik overlaadde de argeloze potentiële lezers weer met dwaaltochten waarop ze meestal wijselijk niet reageerden. In mijn blogprogramma kan ik zien dat de lezers de blogs wel aanklikken. Dat is al meer dan ik meestal zelf bij anderen doe, ik klik ze niet eens aan. Er is ook zoveel.

Nieuwjaar ligt alweer even achter ons. Mijn deelgedrag is nu weer toe aan herziening. Zoals u in mijn vorige blog kon lezen, komt er altijd een moment dat je stuit op een grens en dat je je sporen terug volgt, voorzichtig stappend in je voetstappen. Derrida sprak van un certain pas om aan te geven dat het zetten van stappen je niet altijd vooruit brengt. En je zou vanuit de onzuiverheid van elke aporie de overgang kunnen voltrekken naar een beweging die mogelijk wordt voorbij de grens, vanuit de ervaring dat de grens je zicht geeft op bewegingsruimte.

Het is maar de vraag of ik me, net als Grimaud, bevind in een spirituele reis, laat staan ontwikkeling. Ook een spirituele reis eindigt bij een grens, draait om bij een keerpunt en laat dan de schrijver en de lezer achter in het zicht van een onbestemde ruimte. De neiging is groot dat ik na mijn keerpunt, het opzoeken van facebook, me weer wil terugtrekken in de veilige ruimte van mijn blog.

Maar die veilige narcistische ruimte is helemaal niet veilig. Lees het artikel over politicoloog Rebekah Tromble die schrok van alle tweets die ze over zich heen kreeg, toen ze de conversaties daar 'gezonder' wilde maken. Mensen gaan lekker knallen als ze zich in een onbedreigde ruimte wanen, zoals de social media waarbij ze rekenen op de steun van hun bubbelgenoten. Maar de woede die ze produceren is veel te groot voor hun digitale isoleercelletjes en springt alle kanten op. Zeg nooit te snel dat terugtrekking leidt tot veiligheid en machteloosheid.

Ergens in dat landschap zie ik de schim van mezelf lopen, 'schrijvend zonder pen'. Het is een parodie op Narcissus en zijn beeld in het water. Het is alsof ik mijn voetsporen terug volg en mezelf tegenkom, maar dan anders. De rollen zijn nu omgedraaid. Eerst was ik een wanderer of pelgrim. Onderweg kwam ik mezelf tegen als geest, demon of spook. Nu ben ikzelf dat spook en zwaai ik naar de pelgrim, mezelf als ander. We maken een praatje. Noem het een blog.

We leven in ongemakkelijke tijden. Het voelt altijd stroef als je schrijft en niets te vertellen hebt maar toch vertelt. Het schrijven krijgt een andere functie. Het is niet de performance die je deelt met je publiek. Er is geen grens die nog standhoudt binnen voorgevormde kaders. Zo is het schrijven ook geen beroep of kunst, het is evenzeer hobby, dus minder verheven en het scherpt ook al niet onze goede smaak. De grens is geen gegeven, hij duikt op als we veranderen.

Meer lijkt het op de oude écriture, een stroom die maar doorgaat en die voortkomt uit de bevrijding van de subjectiviteit. Maar dan dus met die stroefheid, de opduikende limieten, twijfels, verantwoordelijkheid, alles waarvan we ons hadden bevrijd en dat steeds weer terugkomt.

Reken er dus maar niet op dat er een stabiel ik is dat u iets wil mededelen. Maar ach, wie ben ik om u iets te vertellen wat u zelf al meemaakt. Mijn blog is evenzeer een reactie op wat u mij heeft verteld, en zo bezien ben ik weer uw publiek. Ik mompel wat na als echo van wat ik gehoord heb.

Deeleconomie, het wij dat zich steeds opnieuw verdeelt. Aha, zegt u. Aha, zeg ik.Afbeeldingsresultaat voor indiaan kayak

donderdag 10 januari 2019

Het spoor terug volgen

Steeds schrijf ik mijn blogs wanneer er aanleiding voor is. Maar soms weet ik ineens niet meer wat een aanleiding is. Zeker, er zijn voortdurend aanleidingen. Maar de ene is de andere niet. Misschien zit er een patroon in?

De lezer wil me graag volgen. Aanleidingen, prima, ga je gang, maar we wachten op de zaak waartoe. Vooruit met de geit.

Ja, zeg ik dan weer. Jazeker! Geit, daar zeg je me wat. Je hebt het over een dier, en een dier kan een prima aanleiding zijn. Neem een geit. Dan hebben we het beest, we hebben de leuke titel van Claudia de Breij, we hebben een toespeling op de performance van mijn opa bij feestjes. Dan stond hij op en stak van wal: Adam gaf namen aan alle beesten. Het ene na het andere beest werd voor zijn ogen gezet. Als laatste de geit. Adam kon niets bedenken, behalve: 'Dat dea mer geit.' (Die mag ophoepelen.)

Dieren zijn sindsdien voor de mens blijven staan. Neem de rabbi die de mens wees op zijn plaats: vele dagen voordat God de mens schiep, schiep Hij de mug. Dit kun je corrigeren vanuit Darwin tot je een ons weegt, of veel minder zelfs, maar die mug blijft zijn voorrang houden.

Neem de aanleiding, het dier. We lezen in de klas Aisopos, de mysterieuze fabeldichter uit het oeroude Griekenland. Misschien had hij politieke bijbedoelingen, wanneer we de mens opzichtig wijzen op zijn beperkte plaats ten opzichte van Het Dier. Het Dier is toch de totem van de Oudheid, kijk maar naar de Sfinx en de Minotaurus.

Langzaam kom ik tot mijn punt. Ik doel op de fabel De leeuw en de vos. De leeuw gaat in een grot liggen, doet alsof hij ziek is en wacht af. Andere dieren komen bezorgd naar de grot om te vragen wat er aan de hand is. De leeuw springt op en eet hen op. Hoe het met de vos verder gaat kunt u opzoeken of desnoods zelf bedenken.

Tegen een leerling zei ik dat ik juist aan het lezen was in Joseph Boyden, de Canadees die schreef over de Eerste Wereldoorlog. Twee indianen (sorry, natives bedoel ik) kunnen erg goed schieten en bewijzen hun kwaliteit in de loopgraven. Tegenover hen bevindt zich de loopgraaf met Duitsers, met ook weer een goede scherpschutter. De natives denken na en na. Ze beredeneren aan de wonden van de eigen doden dat het schot van onderaf moet zijn gelost, niet van boven. Ze wagen zich 's nachts in het tussengebied omdat ze weten dat de Duitser bij zonsopgang zijn slag slaat. En inderdaad. De Duitser schiet van onderaf, maar toch worden de natives verrast. Gelukkig voor hen worden ze niet geraakt, maar ze realiseren zich dat de Duitser zich 's nachts schuilhield tussen de lijken en dan ineens schiet. Snel schieten ze terug en de Duitser legt het loodje.

De aanleiding is dus die leerling. Hij antwoordde dat hij John Williams las, de beroemde Amerikaan die zijn eigen draai gaf aan going West. Ik dacht: now we are going somewhere. Om een lang verhaal kort te maken, ik dacht dat hier vast wel de aanleiding zat voor een nieuwe blog.

Je gaat ergens heen, maar het spoor gaat alleen die kant op, er zijn geen voetsporen terug naar de kant waar je vandaan komt. Let this be a lesson, boy!

Ik vraag me dus af of je de aanleiding kunt zien als sporen naar de grot. We zien de zieke leeuw. Maar vanuit de zaak zelf, de causa, zien we geen sporen terug. Zo worden we ook met deze blog geleidelijk de grot in gevoerd. We worden karkas.

Engelstaligen spreken van aesopic language wanneer je in bedekte termen een politiek explosieve boodschap vertelt. Door die boodschap worden we gelokt naar de politiek, en hopen we tegelijk dat we beschermd zijn door het cryptische karakter van de boodschap. We wanen ons veilig.

De fabel wil niets anders dan de ander in slaap sussen. Maar zelf vallen we ook in slaap. We herhalen de moraal zo vaak dat die alle scherpte verliest.

Dat verklaart wellicht mede waarom de moraal het aflegt tegen de verhalen, en dat de moraal zelf een verhaal wordt.

Let this be a lesson, boy! Zeg het drie keer en je raakt in een roes. Je kunt alleen nog maar hopen op een plotseling inzicht. Er lopen alleen maar sporen heen, en geen sporen terug.

De vos gaat in gesprek met de leeuw. Misschien is dat niet erg verstandig. Je kunt ook over je eigen spoor teruglopen. De dieren na jou kunnen dan ook zien wat jij zag.

En zo loopt deze blog uit op het terugvolgen van mijn spoor naar de vorige blog over de man die terugkijkt naar zijn spoor. Vertaald naar de methode van historisch onderzoek zou je dit genealogie kunnen noemen, het terugvolgen van de sporen om te zien welke afslagen je hebt gemist. Methode is Grieks, μέθοδος. Het betekent letterlijk 'een weg erna' of 'met een weg'. De etymologie verwijst naar het volgen van iets, bijvoorbeeld een weg of spoor, maar omdat meta ook 'met' kan betekenen wordt er een tweede spoor gesuggereerd.

Deze methode kan in gang gezet worden door een aanleiding. Maar er is steeds ook een onderbreking nodig, een muur, loopgraaf of gevaar (leeuw, scherpschutter) waardoor je bijna wel gedwongen bent om de sporen terug te volgen. Deze situatie is ook die van de literatuur, die we met Anke Snoek hadden verkend. Vergeten we niet dat literatuur en geschiedschrijving ook over de Parnassus dansten.

Afbeeldingsresultaat voor aesop fox lion




zaterdag 5 januari 2019

Gezamenlijk schrijven, gezamenlijk dragen

Nog steeds ben ik bevangen door het gedicht van Rozewicz in mijn vorige blog en op een Leidse muur. De Leidse vriend die ik noemde met zijn proefschrift over de problematische vader reageerde vrijwel onmiddellijk samen met zijn vrouw, wat ik al mooi vind omdat Freud in het spel is en daarmee dus een problematische verhouding tot de vrouw, die dus alleen al door dat mooie gesprek tussen Freud en Mahler in het teken van de harmonie is komen te staan.

So far so good. Maar in het privé-leven, zo weet ik uit ervaring, duurt het hooguit een half uur of desnoods een aantal jaren voordat je misverstanden uit de weg ruimt en de oorlog is beslecht in het voordeel van een soort rustgevende harmonie. Ook de vriend met wie ik zat te lunchen kwam erachter dat hij maar even hoefde te wachten of zijn vriendin liet hem blijken dat het toch wel goed zat!

Maar dat gedicht dus. De ik-figuur merkt ineens dat hij 'naast zichzelf' zat, obok siebie. Het mooie van Google translate is dat het als vertaling oplevert 'naast elkaar'. Dat heeft niet noodzakelijk met het Pools te maken. Het woord siebie, 'zich', is een variant van het Indo-Europese se of ἑ, dat we herkennen in het Nederlandse zich. Opnieuw kunnen we terecht bij Agamben, mijn belangrijkste filosofische referent, die se beschouwt als iets dat alleen als niet-onderwerp bestaat, het kan niet in de nominativus voorkomen, het is een verhouding nog voordat je het vertaalt als 'zich', 'ik', 'hij/zij', of 'elkaar'.

De ene herinnering roept de andere op. Enkele keren zijn we met Oudjaar te gast geweest bij deze vrienden in Leiden. Ik meen me te herinneren - voor wat het waard is, vooral rond Oud en Nieuw, alles is nevelig, je belandt op de wc, beetje brak, je kijkt naar de foto's en tekeningen - etcetera...
Al googelend vul ik mijn herinnering van wat er op de muur van mijn vrienden op het prikbord hing aan, en vind een gedicht van Mary Stevenson:
Ik droomde eens en zie
ik liep aan ’t strand bij lage tij.
Ik was daar niet alleen,
want ook de Heer liep aan mijn zij.
We liepen samen het leven door,
en lieten in het zand,
een spoor van stappen; twee aan twee,
de Heer liep aan mijn hand.
Ik stopte en keek achter mij,
en zag mijn levensloop,
in tijden van geluk en vreugde,
van diepe smart en hoop.
Maar als ik het spoor goed bekeek,
zag ik langs heel de baan,
daar waar het juist het moeilijkst was,
maar één paar stappen staan.
Ik zei toen “Heer waarom dan toch?
Juist toen ik U nodig had,
juist toen ik zelf geen uitkomst zag,
op het zwaarste deel van mijn pad..”
De Heer keek toen vol liefde mij aan,
en antwoordde op mijn vragen;
“Mijn lieve kind, toen het moeilijk was,
toen heb ik jou gedragen…”
Mogelijk opent dit gedicht een nieuwe toegang tot de problematiek die ons zo dwars zat, de onverenigbaarheid van scheppen en helpen.

Is het ooit zeker dat die ander niet een andere versie is van jezelf? En zou je in bepaalde schimmige of donkere situaties niet de een kunnen zien als de ander, of zelfs de ander als God?

Ik herinner me dat Inez ooit voor haar werk nodig had om te weten hoe het nu precies zat met het gevecht met de engel in Genesis 32. Er staat in het Hebreeuws gewoon isj, man. Het is dus een gevecht met een man, en misschien is wel bedoeld dat we er God of een engel in zien, maar 's nachts is dat ook niet zo eenvoudig te onderscheiden.

We zitten dus in de ononderscheidbaarheid. Het is in deze situatie erg moeilijk om de juiste naam te noemen, laat staan die te schrijven. Daarom zeggen we siebie en geen pen in mijn hand, libido of doodsdrift. Je kunt zelfs God of Heer denken, zoals Mary Stevenson, en - met enig pathos of ironie, ikzelf.

Misschien, bedenk ik me nu, is de gewoonte om te spreken over de ander of de Ander ook wel alleen maar mogelijk in een situatie van nuchterheid, vanuit de wereld van de begrippen. Zit je in een situatie van ononderscheidbaarheid, worsteling, ruzie, irritatie, of wanneer je nietsvermoedend door een stad loopt, dan moet je de ander misschien eerder opvatten als een se of siebie.

Nog een stap verder, twee aan twee of gewoon twee.
Hoezo kun je hier van dragen spreken, het Latijnse gerere, dus gestus, gebaar?

Laten we eens aannemen dat dragen steeds verondersteld is wanneer je met zijn tweeën bent of alleen. De lezer moet mij verdragen, maar ik moet mijzelf 24/7 verdragen. Dat lukt niet altijd evengoed. Alleen de tijd kan ons vertellen of het dragen gelukt is. Het dragen of verdragen is nog onontkoombaarder dan het verschil tussen het ik en de ander.

U heeft met mij het einde van deze blog bereikt. U hebt me gedragen.

Afbeeldingsresultaat voor ik heb je gedragen


vrijdag 4 januari 2019

Het einde van de kinderliedjes van Mahler

Als ik in een stad kom denk ik er in alle onbevangenheid te bewegen. Maar al gauw duiken er bij dit of dat café, of die of die straat, herinneringen op, vage herinneringen, doorweefd met associaties, soms met verre landen of verre verledens. Gelukkig kent mijn zoekmachine al die zaken beter dan mijn broekzak en zelfs mijn broekzak beter dan ikzelf. Zo kwam ik in Leiden terecht, via de herinnering aan iets dat ik gelezen had, over een gesprek tussen Mahler en Freud, bij een aantal sites, waaronder deze, waar het een en ander werd uitgelegd.

Met een vriend zat ik te lunchen en ik dook in Google toen hij even naar de wc was. Trouwens, met een vriend is het minder erg wanneer je even wat dingen uitzoekt terwijl je eet. Mannen kunnen nu eenmaal goed multitasken. Trouwens, die vriend had het net over het probleem van moeders en vooral van vaders. Trouwens, ergens in datzelfde Leiden had een vriend net een proefschrift voltooid over die kwestie van de vaders, dus ik begon een schimmig verband te vermoeden tussen de stad Leiden en een problematische verhouding tot de vader.

Ben ik aan het doordraven? Kan zijn, misschien wel uit haast, ik weet dat ik altijd snel alles bij elkaar moet rapen omdat er altijd weer een moment is dat ik naar mijn vader moet, en dan is hij degene die vertelt. Hier in deze blogs kan ik doordraven, en nu begrijpt u beter waarom ik dat wel moet doen. Het heeft met mijn vader te maken.

Terug naar Mahler. Het is onbekend wat Freud en Mahler daar in Den vergulden Turk, om de hoek bij de zaak waar ik met mijn vriend zat te lunchen, heeft besproken. Maar als u de site heeft aangeklikt weet u dat Freud Mahlers huwelijk met Alma heeft gered. Zij was een verhouding met de jongere Gropius begonnen en Mahler was daar achtergekomen. Anderen wezen hem op Freud die toevallig in Katwijk op vakantie was, enfin, u heeft dat net allemaal zelf gelezen. Maar wat mij dus treft, is dat Mahler niet alleen een moederblokkade had, maar ook in zijn jeugd last had van zijn gewelddadige vader. De zesjarige Mahler vluchtte naar buiten en suste zichzelf met kinderliedjes.

Het zijn de voorlopers van de Kindertotenlieder waarover ik al eens heb geblogd, en die Kindertotenlieder waren weer de aankondiging van de dood van zijn dochter vijf jaar later. Blijkbaar helpen kinderliedjes niet alleen om je te overleven, maar kondigen ze ook de dood van je kind netjes aan zodat je alvast kunt beginnen met rouwen ofzo. Trouwens, we hebben bij pianiste Hélène Grimaud ook gezien dat kleine meisjes graag liedjes zingen voor hun poppen en misschien kunnen we haar pianospel dus interpreteren als een soort Kindertotenlieder.

Onze ban zou dus zomaar een soort dood kunnen zijn. Kinderliedjes helpen ons tussen dood en leven snel heen en weer te schieten, zoals het kiekeboespelletje dat Freud op het idee bracht zijn libido aan te vullen met de doodsdrift en in plaats van een verklaring een soort mysterie te zoeken dat ons kan helpen wanneer we tezeer lijden onder de dood.

De doodsdrift heeft te maken met herhaling. Het kinderlied helpt ons bij de verwerking, maar de echte dood kan ook de herhaling van dat kinderlied zijn. Herhaling is ook wat me overkwam in Leiden. Mijn vriend wilde graag naar de film die ik afgelopen maandag al had gezien en waarover ik u heb verteld, de Poolse film Cold War. Toen we met onze juist gekochte kaartjes langs de Leidse grachten liepen, trof me het gedicht dat per fresco op een muur was aangebracht:
Ik schreef
een ogenblik lang of een uur
een avond een nacht
ik werd kwaad
ik beefde of zat
zwijgend naast mijzelf
mijn ogen vol tranen
ik had al die tijd geschreven
tot ik plotseling merkte
geen pen in mijn hand
(Tadeusz Rozewicz, Pisalem)
Was het mogelijk, vroeg ik me af, met deze twee hints met frisse blik te kijken, voor de tweede keer, naar Cold War? Hoezeer moest mijn Vader Zijn best doen om me aan het verstand te peuteren dat Hij altijd bereid was me te helpen, via mijn belevenissen en mijn blogs? (Hopelijk vat de lezer deze woorden met hoofdletters niet op als een geloofsbekentenis, we zitten nog steeds in de sfeer van herinneringen en geesten die opdoemen in de straten van een stad die ik bezoek.)

Helpen, dat is absoluut wat mijn (aardse) vader altijd deed of wilde doen. En het is ook wat Wiktor in Cold War steeds wil doen. Hij helpt zijn geliefde Zula bij haar carrière van provinciaal naar topdanseres. Hij helpt haar in Parijs. Maar het wil niet vlotten. Het is niet goed wanneer je zelf een Scheppend Wezen bent, om dan ook nog anderen te willen helpen, zo lijkt het. De boosheid (gniew) van Wiktor roept hij eigenlijk over zichzelf af. Zula bekent hem dat ze hem in Berlijn niet naar het Westen kon volgen omdat ze niet goed genoeg was. Uiteindelijk volgt ze hem toch, maar dan blijkt inderdaad dat ze in Parijs niet kan leven. De plaat waarop ze schittert, Loin de toi, gooit ze in de fontein. Ze vertrekt naar Polen, Wiktor volgt haar en beëindigt daarmee zijn mogelijkheid om nog piano te spelen, in die zin dus 'geen pen in mijn hand'.

Zo is het misschien Gustav en Alma Mahler ook vergaan. Gustav was zo'n beetje God zelf, zeker in de Achtste waar hij de muziek laat ronddansen zoals de planeten in het heelal. Die symfonie staat op het punt om in München in première te gaan. Na zijn gesprek met Freud gaat Mahler wel naar München. Hij verzoent zich met Alma. Maar schrijven doet hij niet meer, vanaf dat moment.

Langzaam maar zeker belanden we in de situatie van de barrière, het vertrekpunt van Agamben, en zijn formule van de schepping, 'I would prefer not to', van kantoorklerk Bartleby die wel blijft zitten maar geen pen meer in zijn hand heeft. Ik zie mijn vader, ik zie mijzelf als mijn vader, bevend, elke tekst weer hulp zoekend in een zin zonder punt, een app. Of een aanleiding, een app van mijn dochter die mijn schrijven onderbreekt omdat ze wil weten hoe laat we bij haar zijn straks