zondag 12 juli 2020

Een dude is een dude

De dude kennen we van The Big Lebowski, de film uit 1998 van de gebroeders Coen die geleidelijk een cultstatus kreeg. In mijn vorige blog had ik het over vrienden op een terras achter koffie en whisky (mijn vriend Martien was helemaal vol van de film en deze blog danken we dus aan hem). Had je ze neergezet bij een bowlingbaan, dan had je met wat goede wil de scène van de dude gehad. Ik had me na de film voorgenomen er eens een keer geen blog over te schrijven. Maar kennelijk ben ik nog steeds niet in die verheven staat waarin ik daar zomaar over kan beslissen.

De dude is ook zo'n man die ergens in verzeild raakt. Maar als hij erin verzeild raakt, lijkt het alsof hij er niet in verzeild raakt. Als de drie dreigende mannen zijn kamer binnenkomen blijft hij heel relaxt, zoals eigenlijk wel in de hele film. Dat maakt het meteen wel moeilijk om je met hem te identificeren, want zo relaxt zijn wij niet.

Het schijnt dat de term dude is ontstaan uit het Engelse doodle, een man die kieskeurig was als het op zijn kleren aankwam, een dandy dus. Dat past ook wel bij de film, het vest van de dude is een erg belangrijk gegeven. De Westerley, zoals dat vest heet, is heel dik, en nog steeds voor tweehonderd dollar te koop. Het is een slappe imitatie van de Cowichan-sweater van de gelijknamige indianenstam uit de buurt van Vancouver. Er zit dus wel degelijk iets van een statement in dit vest. Een gevaarlijk statement, want de Yankee doodle neemt het vest over van de indiaan zoals de Yankees hun land hebben overgenomen. Maar goed, nu houdt de dude zich wellicht mede staande in het leven door ook een belangrijke eigenschap van de indiaan over te nemen, zijn onverstoorbaarheid.

De film laat ik verder voor wat hij is. Kort samengevat: de dude is de dude. Ik verander de lidwoorden als denkexperiment. Is het mogelijk om de relaxte hoofdpersoon van de film weer terug te toveren in een dude, een gewone jongen net als iedereen? Zouden jij en ik ook een dude kunnen zijn?

Ik nader nu het thema van de assumptie. Als het vest het voornaamste attribuut van de dude is, dan trek je dat vest aan of niet. Je neemt een rol op je of niet. Je kiest voor een bepaalde deugd of karakter of niet. Nu eventjes niet. Ook in die zin is het vest een statement. Een vest kun je even ergens neerleggen. Je trekt het uit wanneer je het warm hebt of wanneer je spaghetti met rode saus eet en bang bent dat je vest wordt bespat.

Moet ik toch weer even aan de film denken, aan de scène dat de bowlingmaat is overleden en de dude met zijn andere bowlingmaat de as wil uitstrooien vanaf een rots bij zee. Helaas waait de wind landinwaarts en krijgt de dude alle as over zich heen. Geeft niet, zegt hij. Wel verwijt hij zijn vriend dat hij bij zijn speech over Vietnam begon, de dode had helemaal niets met Vietnam te maken. Het is dus toch de combinatie van relaxtheid en gevoeligheid die het wint bij de dude.

De film speelt een spel met onverschilligheid en aandacht. Details krijgen plotseling aandacht, grote zaken als Vietnam doen er eigenlijk niet zo toe. Het spel wordt verder gesymboliseerd door de bowlingballen die er meer toe doen dan wat ook. De dude is een bowlingbal, in een musicalscène glijdt hij tussen de benen van de dames naar de kegels.

Ik vergeet even de raison d'être van deze blog. Dat was niet zozeer de film als wel de vraag of jij en ik ook een dude kunnen zijn. Ja, zeg ik voorzichtig. Er is blijkbaar iets bowlingbalachtigs in mij waardoor we het leven kunnen opvatten als een gladde baan richting kegels, en die kegels vallen om. Dat geeft een bepaald geluksgevoel. Dat gevoel ligt binnen bereik. Altijd al. Denk aan het epicurisme waar de atomen naar beneden vallen, af en toe afgewisseld met een plotselinge zijwaartse beweging. We vallen zoals de ballen richting de kegels, en ergens is er plaats voor genot in dit proces, het draait om genot.

Ik zie de regels vallen bij elke die ik schrijf. Regels zijn kegels. Strike!

zaterdag 11 juli 2020

Rest ons de weerstand

'Dat zijn de dragers van onze beschaving!' riep een ouder tegen mijn vriend, of misschien zijn vrouw, daar wil ik vanaf wezen. Als je gezellig zit te drinken en te eten kun je weleens detailtjes vergeten. Het waren gymnasiasten die door hun ouders werden opgewacht. Mijn vriend, of dus misschien zijn vrouw, riep nog terug dat de stratenmakers misschien eerder dat fundament hadden gelegd. Maar die reactie ging in de nevels verloren.

Zo komt het dat ik ook nog niet weet waar ik aan toe ben. Ik word geacht de gymnasiasten te vormen, maar beweeg me dagelijks voort over de straten die gelegd zijn, en weet zelfs dat ons woord straat afkomstig is van het werkwoord sterno = uitspreiden, neerleggen, voltooid deelwoord stratus. Er is iets voor me neergelegd, een straat, en daarover gaan de gymnasiasten die ons zullen leiden. Mijn vriend legde me uit dat hij bij leiding ook dacht aan iets hols, er gaat wel iets doorheen, maar daarvoor moet die leiding dus hol zijn.

Mijn vriend en ik zijn in de opleiding gevormd door filosofen, en die behoren tot een wereld die we steeds meer als hol zijn gaan ervaren. Er wordt wel gedacht, maar vooral over posities, posities die je inneemt, verliest en als je taai bent weer herovert. Het woord positie komt overigens van het werkwoord pono, zetten, leggen, voltooid deelwoord positus. Je zou nu al gauw kunnen denken: waar iets wordt geponeerd, wordt ook iets gedeponeerd. En daar zaten we dan, op ons terras. Niet taai genoeg bevonden, niet resilient, afgeleid van re-salire, terugspringen, terugveren. We zaten daar maar.

We hadden ooit vrienden met interessante, sterke denkbeelden. Ze verwachtten iets van ons, al was niet helder wat precies. Hoe dan ook trad er een effect op dat niet adequaat was aan die verwachting. Anders hadden ze ons niet weggeblaft of weggezwegen. Of misschien ook was het een test, een socratische of nietzscheaanse test waarmee ze wilden bekijken of zelfs uitlokken of we wel konden terugveren. We hadden dan de edele functie gehad van een revenant, een spook dat de toekomst komt brengen, de terugkomer of terugveerder.

Maar er moet ergens een onderscheid zijn tussen de dragers en de restanten, de restanten die ook altijd zorgen voor enige weerstand, de resistanten. Als er geen resistanten zijn, zijn er ook geen dragers of stichters. Dan zou iedereen drager of stichter kunnen zijn. Zittend op ons terras, met onze koffie en whisky, ontdekten mijn vriend en ik dat we geen dragers of stichters waren. Wat waren we dan wel? Hadden we nog taaiheid, veerkracht? Of zochten we een ander spel met andere spelregels? Morgen worden we wakker en gaan we door met onze dingen. Het spel verandert niet, de regels niet.

Rest ons de weerstand. We staan ergens, zitten ergens. Het denken zoekt zich een weg, niet alleen via de dragers en leidingen, maar vast ook wel via de restanten, de gedeponeerden. Wie geleidelijk gewend raakt aan de wereld buiten het wereldje staat open voor een bries of vlaag. De geest waait waarheen hij wil, hebben we horen zeggen.




donderdag 9 juli 2020

Het is jouw verantwoordelijkheid

Er is iets grandioos mis met de verantwoordelijkheid. Het werd ooit een kernbegrip in de opvoeding en de moraal. Je voelt dat nog na bij Femke Halsema die de anderhalve meter alleen kan opleggen door te steunen op de eigen verantwoordelijkheid.

Je kunt natuurlijk zeggen dat de verantwoordelijkheid te vaag is. Maar dat is dan weer te makkelijk. Maak je namelijk de verantwoordelijkheid specifiek, door uit te leggen waarin precies onze verantwoordelijkheid schuilt, dan verglijdt de verantwoordelijkheid in de plicht. Plicht is iets wat je echt moet doen, en het is duidelijk wat dan precies. Het is jouw verantwoordelijkheid, namelijk die anderhalve meter. Ja, plicht dus! Zeg dat dan gewoon.

Een ander probleem met de verantwoordelijkheid is de overname. Ik voel me verantwoordelijk voor jou. Daarom zeg ik je dit. Maar daardoor pak ik de verantwoordelijkheid van je af. Ja, nu zeg je natuurlijk dat ik me verantwoordelijk voel voor jouw verantwoordelijkheid. Zo zou ik die alsnog in stand houden. Maar zo werkt het niet, helaas! Met mijn verantwoordelijkheid voor jou wantrouw ik jou, inclusief jouw verantwoordelijkheid. En zo ben je die ineens kwijt. (Zou je wel willen, daar niet van.)

Minstens zo erg is het afschuiven. 'Het is jouw verantwoordelijkheid!' Hoezo dan, waarom niet die van mezelf? Ja, omdat ik me niet verantwoordelijk voel voor jouw verantwoordelijkheid, en daarom ben jij ook niet echt verantwoordelijk, want wie neemt daar dan verantwoordelijkheid voor??

En zo blijven we zitten met een monument, een relict, een lekke ballon of zelfs een ballon die geknapt is, de ballon van Banksy, van de girl in the bin. Echte liefde, maar alleen als je gelooft in een verleden zonder toekomst.

Ongezien is de verantwoordelijkheid verdwenen naar de coulissen. Wie durft het er nog over te hebben? Ja, Remkes vanochtend, de held die zijn verantwoordelijkheid neemt als anderen dat niet meer doen. Verantwoordelijkheid wordt dan zowat synoniem met Remkes' optreden. Die kan ons ineens toevallen, als we ergens invallen en geconfronteerd worden met incidenten zoals corona en boeren. En dan ook nog in naam van een erg nuchter denken in termen van oorzaak en gevolg, Nederland maakte te gemakkelijke keuzes voor natuurbescherming en had zich eerder moeten realiseren dat we die verdragen over vogels en de euro nooit hadden moeten tekenen destijds.

De verantwoordelijkheid zwaaien we gedag. Hij is van jou. Daarmee wil ik zeggen dat we de claimcultuur allang hebben betreden. Verantwoordelijkheid is schuld. Dus beschuldiging, uitleg, verdediging, afweer. Ik voel me verantwoordelijk voor mijn onverantwoordelijkheid, alsmede die van jou.

We zijn eruit, en we gooien het op een akkoordje. Een slotakkoordje.





zaterdag 4 juli 2020

Geestelijk infuus - Kollaard

Het is verleidelijk om een hond te zijn. Je wereld bestaat uit eten, je rondjes met je baas, je mand. Ergens heeft de hond er wellicht besef van dat hij geestelijk infuus is van zijn baas.

De baas hoeft daar weinig aan toe te voegen. Hij hoeft het alleen maar op te schrijven, in mensentaal, en vanuit zijn ervaring van mens. Je moet sprekendheid en simpelheid combineren. Daar zijn vooral Nederlanders goed in. Ze houden van het alledaagse, van korte zinnen.

Als je dit bij Kollaard leest, snap ik heel goed waarom iedereen dol op hem is, zo dol als op je eigen hond. Hoewel hij in Zweden woont, loopt hij aan de lijn van de Nederlandse literatuur, en die lijn kun je weer zien als geestelijk infuus.

Toch is er ook een andere factor nodig, namelijk de filosofie. Het beestje moet een naam hebben. Wat krijgen we door dat infuus toegediend? Vergeet niet dat Henk van Doorn IC-verpleegkundige is, hij weet het nodige van infuzen. En dankzij Nietzsche kan hij het benoemen, namelijk levenskracht.

En zo komen we dat woord levenskracht tegen als datgene wat wordt toegediend door de hond, en door de schrijver in literaire vorm. Bij levenskracht maakt het eigenlijk niet uit of het loopt door het dier of door de mens. De mens is eindelijk met zijn taal verzoend, hij zoent de taal. Met dat woord levenskracht.

Nietzsche kon nog zeggen dat de taal een leger metaforen is, munten die langzaam slijten. Ook Henk weet dat alles slijt. Maar je kunt je altijd vasthouden aan het moment waarop alles samenvalt, geluk, levenskracht en de taal waarin je alles samenbalt in het woord levenskracht.

Ik zou er het woord patiënt aan willen toevoegen, voorzichtig, om de zaak niet te verstoren. Niet meer dan een voorzichtige vraag. Kunnen we net als Schurk (zo heet de hond) ons oprollen in onze zwakte alsof het een mand is die ons beschermt tegen de gruwelijke wereld? Henk kan het, en wie het boek heeft gelezen weet waarop ik doel, de scène met Mia. (De ander wil niet worden gespoild.)

Als hond, patiënt en schrijver van minder poëtisch proza heb ik een extra voordeel. Ik steek mijn neus even buiten de mand, krijg een paar likejes en word verder met rust gelaten.





zondag 21 juni 2020

Bakje water voor Ben Hur

Ben Hur werd afgemaakt. Niet in werkelijkheid, maar dan toch wel in de pers. Mijn wansmaak bereikt op zo'n moment grote hoogten, omdat er een wee gevoel uit mijn maagstreek opstijgt, maar op een bizarre manier past dat wel, bij de film en mijn leven. Er is een kluwen van kitsch, christendom, spektakel, de belofte om de oprechtheid te zoeken en daar helaas voor de zoveelste keer niet aan te kunnen voldoen.

Is er iets in de film waar we iets mee kunnen? Jazeker, en de sleutel ligt bij Jezus Christus. Die verricht een heldendaad door in te grijpen wanneer een melaatse wordt gestenigd. Hij valt over die melaatse heen en beschermt hem tegen de stenen. Later heeft Jezus het zelf moeilijk, wanneer hij met het kruis richting Calvarie loopt. Ben Hur geeft hem een bakje water. Helaas vinden de Romeinse soldaten dat niet goed, en slaan Ben Hur met de zweep.

Er treedt een interne verstrengeling op tussen afzien van macht en spektakel. Via het spektakel worden we verleid om af te zien van macht. En de reactie is dat we ons erover beklagen dat het spektakel niet spectaculair genoeg is. We willen graag een goede film. Begrijpelijk, niet alleen omdat we op de bank zitten met chips en recht hebben op dat spektakel, maar ook omdat we bezorgd zijn om de wereld en vinden dat anderen verleid moeten worden te geven om de melaatsen en de lijdenden, en de kans daarop is nu eenmaal groter met echt goed spektakel.

Dus, graag een betere Ben Hur volgende keer! Voor als we echt geven om die melaatse.
En: als we echt geven om die melaatse, dan moeten we ons op hem storten, zodat iedereen kan zien dat die melaatse onze heldendaad waard is.

 Christus geneest een melaatse, Rembrandt van Rijn, ca. 1650 - ca ...

maandag 15 juni 2020

Onderhandelen met de geesten - Angela Roothaan

De noodzaak om te onderhandelen kennen we allemaal. Soms kun je iets niet veranderen, of het nu om terroristen gaat of om het virus. Maar je moet wel door. Dan schakel je over op plan B. Derrida heeft daar ooit de formule voor bedacht: onderhandelen met wat niet onderhandelbaar is. Dat zou je kunnen zien als een korte samenvatting van zijn ethiek, die hij ontwikkelt in zijn venijnige dialoog met Levinas. De Ander kan nooit een punt van onderhandeling zijn, zhij is het meest ononderhandelbare wat er is. Maar er is ook altijd de ander van de ander, en zo word je toch weer gedwongen om, juist omwille van de Ander, zelfs over het ononderhandelbare te onderhandelen.

Onderhandeling in het Frans of Engels gaat terug op het Latijnse negotium en het werkwoord negotior, handeldrijven of bankierszaken doen. Het is de ontkenning van otium, vrije tijd, nietsdoen, rust, vrede. Ik moet bij otium behalve aan Agamben ook denken aan een gedicht van Catullus (84-54 v.Chr.), waarin hij zijn bewondering voor Sappho tot uiting brengt in een parafrase die hij tot zichzelf richt:
Niets doen, Catullus, wordt nog jouw ondergang;
niets doen maakt je te blij en overmoedig;
niets doen heeft vroeger doen vallen heersers en
bloeiende steden.
(Carmen 51, vert. Lucette Oostenbroek)

Voor mij is de sprong van Derrida naar Agamben zeer verleidelijk, en die overgang lijkt ook onvermijdelijk als je dit vanuit diverse invalshoeken bekijkt. Het belangrijkste verschilpunt is de interpretatie van de letter bij Aristoteles. Derrida startte zijn metafysicakritiek met de constatering dat de letter in de filosofie sinds Plato en Aristoteles steeds wordt bezien vanuit de stem. Dat was wellicht iets te snel. De letter maakt evengoed deel uit van de betekenis als de stem. Daardoor slaagt Derrida er volgens Agamben niet in om afstand te nemen van de metafysica.

Het is dus niet uitgesloten dat we in de metafysica blijven hangen als we in onze verhouding tot de ander blijven aarzelen tussen onderhandelen en niet onderhandelen. In beide gevallen sluiten we onszelf uit van het otium. Inzet van onze ethiek is hoe dan ook de onderhandeling, hoe onmogelijk die ook is. Maar ik zei niet voor niets dat de overgang naar Agamben voor mij te verleidelijk is, te makkelijk ook. Daardoor loop ik gevaar me te verschansen in een nieuwe dogmatiek: eerst die van Derrida, nu die van Agamben, wat me overmoedig maakt. Daarom heb ik mezelf even op de vingers getikt met Catullus, die de schaduwzijden van het nietsdoen belicht.

Nu ik het boek van Angela Roothaan heb gelezen, hoop ik door mijn zelfkritische move meer open te staan voor de belangrijke zaken die ze opwerpt. Oké, alles lijkt te draaien om de onderhandeling, getuige haar ondertitel 'Negotiating the environment'. Is het inderdaad allemaal een kwestie van geven en nemen, van een religieuze verhouding tot de natuur waarin we bereid zijn offers te brengen om de Ander gunstig te stemmen zodat zhij haar gulle gaven blijft geven? Of zijn we zozeer verweven met de natuur en het milieu dat het systematisch onhelder is wie iets geeft aan wie?

Gaandeweg zag ik dat het boek van Angela allesbehalve dogmatisch is. De ene keer worden wij moderne mensen gemaand om onze hybris op te geven, als startpunt van een doelgericht proces dat moet uitlopen op een interculturele dialoog. Dat kan ons à la Catullus nog behoeden voor de ondergang. De andere keer is Angela zelf al op exemplarische wijze betrokken in die interculturele dialoog, en projecteert ze die zelfs terug, zoals naar de Belgische priester Placide Tempels (1906-1977), die als missionaris naar Afrika ging en daar zo onder de indruk raakte van de levensbeschouwing van de inheemsen dat hij aan hen een heel nieuwe ontologie ontleende, en werd hij een soort missionaris in omgekeerde richting. Op zo'n moment ben ik niet erg geneigd zijn ontologie te zien als een spookhuis, waarin ik achterna word gezeten door een geest die me wakker schudt uit mijn zelfvoldaanheid. Integendeel, ik vind het boeiend en leerzaam, en krijg zin om dat boek van die priester eens te lezen.

In een opzicht voel ik me wel zelfvoldaan. Ik dreig soms te vervallen in dogmatiek door me op te sluiten in de denkwereld van een coryfee, eerst Derrida, nu Agamben. Angela skipt met ogenschijnlijk gemak van de ene idee naar de andere, ze verwoordt de stemmen van voor mij onbekende denkers, en houdt en passant een pleidooi voor een ontologische beschouwing van praktijken zoals het sjamanisme, die door de moderne wetenschappelijke geest naar de buitenwereld zijn verbannen.

Met een blog als deze probeer ik te varen tussen de Scylla van de kritiek (recensie) en de Charybdis van de prijzing. Ik zoek samenhang, een samenhang die evengoed onzichtbaar wordt door fascinatie als door eenzijdige analyse. De eenvoudigste weg daartoe is gewoon lezen, de pragmatiek van het lezen, bij elk hoofdstukje weer opnieuw beslissen wat ik ermee kan, hoe het aansluit bij ideeën die ik belangrijk ben gaan vinden.

Nu ben ik zelf niet zo'n goede onderhandelaar. Ik herinner me een lezing voor een kleine groep, in de tijd dat ik nog filosoof was, voor een kleine groep. Ik probeerde uit te leggen waarom we altijd moeten blijven onderhandelen, ook met terroristen. Een vrouw werd vreselijk kwaad. Het lukt me op geen enkele manier om haar te overtuigen. In zekere zin was die vrouw voor mij erger dan een terrorist, want met haar had ik te maken.

Misschien, denk ik nu, was ik me in die tijd al aan het voorbereiden op een post-negotium, mijn tijd dat ik niet meer betaald werd voor mijn denken, en wie weet zelfs mijn otium. Daarin schuilt zeker iets van onmacht. Maar nu, twintig jaar later, probeer ik mijn otium te gebruiken als een kans om het leven te leiden waartoe ik in staat ben.

Hoe kunnen de geesten van Angela me daarbij helpen? Zou ik hen als leermeesters kunnen zien die me leren om te onderhandelen, handel te drijven, op mijn manier, met mijn vermogens, niet vanuit de slaafse onderwerping aan de Ander, maar vanuit mijn zijn en mijn milieu?

Met maar heel weinig inspanning (passend bij het otium) zie ik hoe Angela zich probeert te situeren binnen een kantiaanse visie op educatie (en daarmee verbonden is met het otium dat de Latijnse vertaling is van het Griekse scholè). Dan zie ik dat het Angela niet gaat om zomaar welke onderhandeling dan ook, maar om ware onderhandeling:
'To arrive at true negotiations we should start by looking honestly at the ways modern society makes us live. We should look into the ways colonials introduced legislation of land ownership while denying already existing indigenous legal systems. Into the ways modern liberal democracies even today denigrate indigenous education of children while stressing all children should get modern education in schools.' (Roothaan, 20190523, pp. 138-139)
Roothaan, A.  (20190523). Indigenous, Modern and Postcolonial Relations to Nature [VitalSource Bookshelf version].  Retrieved from vbk://9780429808227
Controleer de nauwkeurigheid van citaten altijd goed voordat u deze gebruikt.

Onderhandelen mag dan iets zijn waarvoor je meer of minder talent hebt (ik heb het bijna niet), je kunt het wel leren. Nu is de vraag of je dat moet doen op een moderne manier, in scholen, of dat je meer oog kunt hebben voor het al bestaande onderwijs van inheemsen. We hebben met andere woorden te maken met levensvormen die vragen om bepaalde manieren van inwijding die bij die levensvorm passen.

Er zijn zoveel verleidingen en misverstanden die bij deze onderneming op de loer liggen. Zo kunnen we er een cultureel antropologisch project van maken, waarbij we voorbijgaan aan de manier waarop onderzoekers bewust of onbewust zijn ingeschakeld in de postkoloniale kolonisatie, waarbij de culturele en economische dominantie van het Westen alleen maar wordt verstevigd. Ook kunnen we van de weeromstuit de inheemse culturen gaan verheerlijken, waardoor we er in feite een plaatje van maken dat de dynamiek van die levensvorm zelf tenietdoet en daarbij ook nog onze relatie ertoe.

Wat zou 'waar' onderhandelen kunnen betekenen binnen een situatie waarbij we ons met de ander bevinden in een netwerk waarbij de posities gedeeld worden? Kunnen we dan volstaan met de kantiaanse oproep tot respect en verantwoordelijkheid? Kunnen we ons beperken tot een pragmatiek waarbij we de ontologie overlaten aan filosofen in hun otium? Angela sluit niets uit, verbindt al deze posities aan elkaar met ragfijne maar ook stevige draden. Arachnè.

Misschien hoeft er dus ook helemaal geen tegenstelling te bestaan tussen negotium en otium. Het kan bijvoorbeeld zijn dat de boom waaronder we liggen uit te rusten ook wordt gebruikt als plaats om recht te spreken, om in zijn schaduw handel te drijven of juist als demonische kracht die de religieuze redding blokkeert en moet worden geveld. De boom is met andere woorden een symbool voor al deze verschillende betekenissen en praktijken. Misschien leidt het ertoe dat we even de pas inhouden, dat we niet meteen iets omhakken voordat we er goed naar hebben gekeken. De boom wordt zodoende agens van opvoeding. Doordat we de boom, zou Agamben wellicht zeggen, gebruiken, op welke manier dan ook, verandert er iets in ons, wordt er een overgang mogelijk tussen onszelf als overmoedige westerlingen en de enorme wijsheid rond de boom waarvan we ons hebben afgesloten.

De dialoog waarnaar we op weg zijn zou die kunnen zijn van twee herders, Meliboeus en Tityrus, uit de eerste van de Bucolica van Vergilius (70-19 v.Chr.). Het kan best zijn dat je onder een boom lekker ligt te fluiten op je rug. Maar dat alles is mogelijk gemaakt door de god die niet alleen Vergilius zelf maar ook de andere Romeinen begunstigde. Ongetwijfeld wordt met die god Caesar Octavianus bedoeld, die geholpen met het geld van zijn vriend Maecenas oog had voor cultuur en ook bereid was om die te betalen.

Lang heb ik gedacht dat spiritualiteit iets zweverigs was, iets wat kon compenseren voor de materiële aspecten van het bestaan. Maar Angela kennende, en preciezer lezend wat ze zegt, ook in dit boek, weet ik dat we haar spiritualiteit beter kunnen opvatten als iets dat ook de materiële aspecten insluit. Ja, er is geld mee gemoeid, er moet worden onderhandeld en er moeten bankzaken geregeld worden om de wijsheid te bekostigen. Al die mannen met hun kettingzagen in de Amazone moeten we vrijkopen om de bomen te redden. En omdat we door allerlei relaties met hen verbonden zijn, moeten we ook voortdurend onszelf aanspreken. Zodoende kijk ik ook weer anders naar mijn otium, bijvoorbeeld de blog die ik nu in de tijd van mijn baas zit te tikken, en naar de Latijnse gedichten die ik aan mijn westerse leerlingen onderwijs, en waarvoor ik word betaald. Otium en negotium gaan zodoende vloeiend in elkaar over.

Meliboeus
Jij, Tityrus, die op je rug daar neerligt
onder een brede beukekruin vol schaduw,
jij kan je herdersdeuntje onbekommerd
improviseren op je dunne rietfluit! -
ik moet het vaderlijk domein verlaten,
mijn langvertrouwde vele landerijen,
ik word uit mijn geboortestreek gewezen!
Jij, Tityrus, luilekker in het lommer,
jij doet de bossen eindeloos herhalen
hoe mooi zij is, je liefje Amaryllis!

Tityrus
Een god schonk mij dit onbezorgde leven!
want gód blijf ik hem noemen, Meliboeus:
het bloed van een jong ooilam uit mijn kooien
zal dikwijls nog zijn huisaltaar bespatten.
Hij was het immers die genadig toeliet
dat je mijn ossen stoorloos kan zien grazen
en dat ik op mijn landelijke rietfluit
mijn liedjes pijp naar lust en naar believen!
(vertaling Anton van Wilderode)

muziekinstrumenten | Burkinafaso.jouwweb.nl


zaterdag 13 juni 2020

Fantaseren over Anna - Finse dagen van Herman Koch

Zonder maskers schrijven, kan dat? Herman Koch had er zin in, en deed het gewoon. In zijn roman Finse dagen schrijft hij over de tijd na de middelbare school, toen hij een tijdje bij een boer in Finland ging werken. Van zijn vader moest hij ontdekken wat hij met de rest van zijn leven wilde. Maar belangrijker voor Herman zelf was dat zijn moeder kort daarvoor overleden was. Je voelt aan dat het schrijven zonder maskers te maken heeft met het overlijden van zijn moeder, al weet je niet precies wat.

Dit niet precies weten is wat Koch ons voortdurend laat zien, en wat volgens recensent Rob Schouten misschien wel het bewijs is dat we met de echte Koch te maken hebben. Had hij in die tijd nu een zonnebril of niet? Ook blijven de scènes soms bewust vaag. Als hij zich wel iets precies herinnert, het meisje bij een dorpsfeest in Finland, haar haar met krulspelden, dan ziet hij haar later nooit meer terug, en lijkt het beeld los te staan van zijn verhaal en de rest van zijn leven.

Misschien ligt hier ook een sleutel om het verhaal aan de dood van zijn moeder te relateren. Herman zweeft zelf boven de afgrond en probeert zich zwevend te houden. Zijn moeder is net gestorven, maar Herman bezoekt als scholier gewoon feestjes en gedraagt zich losjes. Hij ziet dat de meisjes dat doorzien, maar tegelijk dat dit hem extra aantrekkelijk maakt. De meisjes helpen Herman om zich zwevend te houden. Ze ontzien hem tegelijk, ze noemen hem 'transparant' en niet meelijwekkend.

Er schuilt een paradox in deze losse houding. Herman zakt wel weg in de afgrond, maar laat dat aan niemand zien, 's nachts, huilend in zijn kussen. Ja, hij laat het wel zien, nu, 47 jaar later. Maar dat heeft iets raars als hij er meteen bij vertelt dat de meisjes hem toch wel doorzagen. Het laten zien van zijn gezicht krijgt dan iets van een masker, iets wat juist de verbinding tot stand brengt tussen de meisjes en de lege plaats die zijn moeder achterlaat.

Het lijkt er sterk op dat die meisjes juist niet transparant mogen zijn. De Finse Anna is niet gewoon Anna, maar wordt Anna Karenina. En zoals we hebben gelezen in die roman, moet de man die Anna ontmoet maar besluit om afstand van haar te nemen omdat hij al verbonden is met een andere vrouw, zijn leven vooral als boer leiden. Zo lijkt het logisch dat Herman al vroeg ontdekt dat hij niets anders dan schrijver is, maar Finland opzoekt om er te leven als boer. Finland? Ja, omdat in die dagen Rusland ontoegankelijk was, waar Finland staat moet je Rusland lezen, en waar Rusland staat moet je Russische roman lezen, dus Anna Karenina.

Als we dit maskerade noemen, maken we het ons misschien te makkelijk. Er is geen tegenstelling, daarin ben ik het met Rob Schouten eens, tussen de ware Herman Koch en zijn maskers. De echte tegenstelling bestaat tussen de schrijver die voortdurend zegt: dit ben ik, en zijn lezers vertelt dat zijn ware lezeres Anna is, de 'Finse' Anna die nu 47 jaar ouder is en waarover Herman fantaseert. Niet over Anna zelf, maar Anna als potentiële lezer van Hermans boek. Liever kunnen we dus van fantasma spreken, de verbeelding van de geliefde ander van wie we ons verbeelden dat die van ons houdt, om onszelf in zweeftoestand te houden.


History of Santa Claus Village in Finland - Santa Claus Village ...

donderdag 4 juni 2020

Wat is er nou fout aan een Gutmensch? Bettina Stangneth over het kwade denken

De Gutmensch is het mikpunt van de Nederlandse elite, die zich maar wat graag aansluit bij het populisme. Het maaiveld is nog steeds even horizontaal, zeker hier. Zo zou je makkelijk aan een complot kunnen gaan denken. Als iedereen samenspant tegen de Gutmensch, dan moet daar wel een plan achter zitten. En dan heeft het geen zin meer om te denken. Je wordt ofwel Gutmensch, wat gelijkstaat aan zelfmoord, ofwel criticus. Wat betekent: hakken, soms grof, soms fijnzinnig, maar als je maar lang genoeg doorgaat houd je mootjes over.

Iets van de kritiek op het goede handelen vinden we ook in de deconstructie. Derrida zei ooit dat hij graag de burgers van hun goede geweten wilde afhelpen. Dat is niet hetzelfde als kritiek op de Gutmensch, maar zeker in het denken liggen beide posities niet ver uiteen. Is de Gutmensch niet precies degene die houvast ontleent aan zijn goede geweten? Is dat niet precies zijn motivatie, die hem moet afschermen tegen het denken?

De Gutmensch is evenmin als het geweten het onderwerp van Het kwade denken van Bettina Stangneth. Daar gaat het over de ideeën van Immanuel Kant en Hannah Arendt. De formule 'banaliteit van het kwaad' blijft ons inspireren tot denken zolang we de lessen van Auschwitz niet hebben geleerd, en wie kan nu zeggen dat hij die lessen wel heeft geleerd? De Gutmensch soms?
Toen ik Rutger Bregman bezocht geloofde ik nog dat de moraal ons zozeer kan beduvelen dat we enorm kwaad kunnen aanrichten omdat we denken dat we goed handelen. Zelfs Eichmann dacht dat. Maar Stangneth slaat, Arendt volgend, een andere weg in: 'Kwaad is het vermogen van mensen om iets te doen wat zijzelf als verkeerd zien.' Om daar tegenin te gaan is het nodig om na te denken. Denken is het belangrijkste instrument om ons te bevrijden van zelfgenoegzaamheid, bijvoorbeeld door ons in te leven in andere mensen en de gevolgen te overdenken van ons handelen.

Hier belanden we wel meteen in een tegenspraak. De Gutmensch wil handelen, maar laat zijn handelen niet afhangen van de gevolgen. Zijn belangrijkste criterium is dat hij begint bij het handelen waarmee hij de wereld kan beïnvloeden, en waarmee hij de wereld ietsje kan verbeteren, of althans ertoe kan bijdragen dat die niet nog vervelender wordt dan hij al is. Als je jezelf opvat binnen de kaders van oorzaken en gevolgen, dan zou je idealiter alle gevolgen van je handelen moeten overdenken, en dat is niet wat de Gutmensch wil, want dan wordt hij beschouwer in plaats van actor.

De beschouwing is voor Stangneth een verleiding die de intellectuelen te lang heeft begoocheld. Daarom streeft ze een 'kritiek van de dialogische rede' na. Het handelen moet weer het richtpunt worden van ons denken. We zitten volgens Kant in een permanente crisis, en we moeten niet wachten totdat we alle oorzaken en gevolgen in beeld hebben. Bovendien is al dat beschouwen minder onschuldig dan het lijkt. In de rechtszaal blijkt dat Eichmann ook Kant heeft gelezen, degenen die kwaad handelen zijn vaak virtuozer in het hanteren van ideeën dan we vaak denken. En zo komen we dan ook via deze omweg weer terug bij de Gutmensch. Niet wachten totdat het beeld helemaal compleet is, maar denken om beter te handelen, waarbij we denken zelf ook als handelen opvatten, als deel van dat handelen.

De lijn tussen denken en handelen is dus uiterst dun. Een Gutmensch die nadenkt, is dat wel een Gutmensch? Was de bourgeois niet iemand die zichzelf voortdurend geruststelde omdat hij al beschikte over zijn goede geweten? Niet dus, in zekere zin zijn we allemaal bourgeois, inclusief Kant. En die riep ons op om zelf te denken.

Ik lees in de recensies dat Stangneth in Duitsland goed is ontvangen. De Nederlandse recensies zijn kritischer. Dat heeft dus misschien te maken met dat maaiveld. Zo lees ik in mijn Volkskrant dat Stangneth een drieste filosoof is, dat ze ferm begint maar de lezer daarna achter zich aansleurt. Er is dus ook een educatie-probleem in het spel. Je moet je tempo en je voorbeelden aanpassen aan de lezer.

Maar precies dit bekritiseert Stangneth in haar boek. Aanpassing van je tekst aan de lezer betekent inpassing in de dialogische rede. Ik snap de verwarring wel. Stangneth schrijft zonder voetnoten, en verwijst naar onze wereld, met de social media, de taal van politici en de wapenproductie. Doet ze dat niet om ons bij de les te houden? Ja en nee. Ja, ze zet zichzelf neer als een jonge Arendt, met een taal die ons wakker houdt en onze talloze en virtuoze smoezen resoluut afkapt. Nee, want ze zoekt niet de horizontaliteit, ze bekritiseert die juist.

We hoeven elkaar nu niet echt van de permanente crisis te overtuigen. Er is genoeg aanleiding tot handelen. Het punt is misschien die opvoeding. Hoe kun je je tegelijk binnen en buiten de dialoog opstellen? Dat kan alleen wanneer je jezelf verdeelt, en dat kan alleen weer als je bereid bent dat zelf te zijn. Dat is wellicht wat Stangneth bedoelt als ze zegt dat systemen niet kunnen handelen (en dus geen complotten kunnen vormen), en dat alleen individuen kunnen handelen. Een individu is iemand die zich verantwoordelijk voelt. Uiteindelijk worden niet systemen maar individuen afgerekend op hun deelname aan het kwaad.

Individu is wel een ongelukkig woord. Het betekent precies 'ondeelbaar'. Als we de dialoog bekritiseren kan dat alleen maar, denk ik (maar wie ben ik?), als we in gesprek gaan met onszelf, met ons zelf. Dan hebben we onszelf via de kritiek van de dialoog al bekritiseerd en moeten we op zoek naar een ander steunpunt om ons tot handelen te kunnen aanzetten. Haast automatisch komt Stangneth in het spoor van Kant terecht bij de hoop en de moraal, de moraal als uitdrukking van de hoop dat de wereld beter wordt. De prijs die we daarvoor moeten betalen lijkt mij (maar wie ben ik?) dat die hoop wordt geconcentreerd in het bevel dat ik mezelf geef, mezelf als individu.

Geleidelijk voeren we steeds meer beelden en ficties in, de betere wereld, het individu, het bevel. Ze functioneren nu niet meer om het denken buiten werking te stellen maar om het denken te lanceren, en wel het denken als onderdeel van het handelen. Het handelen splitst zich in tweeën, om maar een minder bekende formulering van Aristoteles te hernemen. We geven bevelen aan onszelf, en denken tegelijk na over die bevelen, wat ze betekenen en welke gevolgen ze allemaal kunnen hebben. De beschouwing is nu niet meer alleen een verleiding, het is ook onderdeel van ons handelen.

En nooit is ook maar enig station gepasseerd. Hoofdschuddend lezen we weer een Duitser die maar niet loskomt van Auschwitz. Maar vergis je niet, via de hoofden van de daders van toen kunnen we uitkomen bij zoiets als empathie. Om sadist te kunnen zijn, moet je weten wat het is om de pijn te ondergaan die je iemand aandoet. En zo haal je toch nog weer iets goeds uit dat kwade denken. Een volgende stap lijkt me om ook weer eens naar die zogenaamde slachtoffers te kijken. Dat doet bijvoorbeeld Agamben, die Arendt bekritiseert omdat haar handelingsbegrip tezeer gelieerd is aan het offer, de Romeinse actio is in essentie een juridisch begrip.

In het leven vinden we meer dan alleen rechtsgang en verantwoordelijkheid. Zelfs de slachtoffers gingen door met leven, ook in morele zin. We moeten de moraal herijken, niet alleen door naar de toekomst te kijken, maar ook door voortdurend weer terug te reizen langs de stations die we gepasseerd hebben. Het denken wordt zodoende een verblijf, een gewoonte. Geen beschouwing met het doel de crisis en het handelen af te weren, maar zelf handeling, zelf interventie in de permanente crisis waarin we ons bevinden.

Nacht van de Vluchteling niet in Westerbork na bedreigingen | Trouw

zaterdag 23 mei 2020

De kanarie leeft weer! - The Prestige en de filosofische verwondering

Hoe betrouwbaar is iemand als hij je vertelt dat je graag bedrogen wil worden? Een paar dagen geleden mailde Lily Keller me dat ze mijn blog over Inglourious basterds had gelezen, en tipte me The Prestige. Lily is een begaafde leerling die dit jaar de prijs heeft gewonnen voor het beste profielwerkstuk van de school. Haar onderwerp- de onbetrouwbare verteller - raakte nog meer aan mijn interesses (obsessies) dan ik aanvankelijk al dacht. Zo is vanaf het begin van The Prestige duidelijk dat technicus Cutter, werkzaam in de goochelbusiness, onbetrouwbaar is. Hij vertelt dat mensen graag bedrogen willen worden.

Mij zou dat enige tijd geleden niet erg interesseren. Ik neem onmiddellijk aan dat mensen bedrogen worden, alleen zou ik dat niet zo gauw bedrog noemen. Dat suggereert namelijk dat ze ook de waarheid zouden kunnen vertellen. En het filosofische spoor dat ik volgde, met name Derrida en Agamben, in navolging van Nietzsche, leidde al gauw weg van waarheid, van de waarde, mogelijkheid en betekenis van het zeggen van waarheid. Wel was er het spook van Heidegger dat bleef terugwijzen naar de Griekse term voor waarheid, die eigenlijk 'onverborgenheid' betekent (a-lètheia). Waarheid is altijd oorspronkelijk verborgenheid, en daarin ligt de mogelijkheid besloten dat die aan het licht komt, als een open plaats, een Lichtung.

Agamben zoekt die open plaats in een soort niet-taal, een onderbreking van de taal, de infanzia. Die zien we bijvoorbeeld bij kinderen die de taal van volwassenen nog niet beheersen. Juist daardoor kunnen ze de taal nog relateren aan iets erbuiten. In het werkstuk van Lily komt dit overeen met een van de drie types van de onbetrouwbare verteller, de Naïf. De naïeveling vertelt wat zhij ziet, maar zonder de context te begrijpen. Dat zet de lezer aan het denken, want nu moet zhij die context zelf erbij bedenken zodat de betekenis in een ander licht kan komen te staan. De onbetrouwbare verteller is in die zin dus juist heel betrouwbaar. De titel van Lily's werkstuk luidt dan ook Reliability of unreliable narrators.

Kijk bijvoorbeeld naar de scène in The Prestige waar een goochelaar een truc uitvoert voor een jongen. Hij laat een kanarie in een kooitje verdwijnen, en tovert hem vervolgens weer tevoorschijn. De jongen begint te huilen. Assistent Borden wijst naar de kanarie: kijk eens, niets aan de hand. 'Ja, maar waar is zijn broertje?' zegt de jongen. Dat heeft hij goed gezien. De kanarie is geplet en in zijn plaats is stiekem een andere kanarie in het kooitje gelaten. Je zou dus de film kunnen zien als een inwijding of opvoeding. De jongen moet nog leren dat mensen het juist fijn vinden om bedrogen te worden, hij moet zijn eigen, ware verlangen nog ontdekken.

Zo bezien lijk je niets op te schieten met een filosofische blik. Als Lily me deze film The Prestige aanbeveelt, zou je dat kunnen opvatten als een gebaar van: echt iets voor filosofen, mensen die zich in navolging van Aristoteles opsluiten in een soort aandoenlijke kinderlijkheid, ook wel 'verwondering' genoemd. Die komt, zo weten we ook weer dankzij deze film, in feite zelf ook neer op het verlangen bedrogen te worden. Wat is er verwonderlijker dan de kanarie die er ineens weer is? Overigens is dit 'the prestige'. Elke goocheltruc, vertelt assistent Cutten, bestaat uit drie delen: belofte (kanarie wordt getoond), wending (kanarie verdwijnt) en prestige (kanarie weer terug).

Zo zou je mijn hele blogschrijverij kunnen zien als de overname van dit schema. Ik bespreek iets voor u, bijvoorbeeld een film, ik voer u mee in onnavolgbare redeneringen, en vervolgens komt er iets verrassends uit tevoorschijn. Maar dat was nu precies wat ik in het begin al aankondigde en wat je zelf in die film ook gewoon zelf kunt zien. Een geheim dat geen geheim is. Een geheim is ook niet interessant, zegt goochelaar Borden in de film. Het geheim wordt gebruikt voor de truc, en alleen de truc is interessant.

Ik probeer een stapje verder te gaan, en Lily's opmerking 'deze film is echt iets voor u' serieus te nemen. Wat is de hele filosofie van Agamben - in navolging van Heidegger en Benjamin - anders dan een performance waarin we afscheid nemen van de oorsprong? Benjamin betoogde in zijn beroemde essay 'De technische reproduceerbaarheid van het kunstwerk' dat het kunstwerk zijn 'aura' is kwijtgeraakt, de ervaring van gezag, uniciteit, 'verte'. Voortaan moeten we het kunstwerk relateren aan de politiek om te vermijden dat we bevangen blijven in de magie en ons afsluiten voor geschiedenis. Maar daarin slagen we niet, zegt Agamben ook weer in navolging van Benjamin. De moderniteit in de zin van opvoeding tot betere mensen is voorbij, we kunnen ons met de kunst alleen nog opsluiten in een ruimte waar we beschermd zijn tegen de geschiedenis, in de geredde nacht.

De kanarie is dood, 'passer mortuus est', zoals ooit bezongen door Catullus. Bezien we de film, dan rijgen de slachtoffers zich aaneen. De vrouw van Borden hangt zich op als ze ziet dat hij eigenlijk verliefd is op zijn nieuwe assistente (niet wetende dat Borden zelf een broer heeft die hij inzet bij zijn trucs). Kortom: ook het niet-weten brengt weinig geluk. De wetenschap dan? De beroemde Nikola Tesla (gespeeld door David Bowie), uitvinder van de wisselstroom, bedenkt een machine waarmee we mensen kunnen transporteren. Die blijkt te werken door een kopie van de mensen te maken, en vervolgens het origineel te doden. Pregnanter had de dodelijke effectiviteit van de technische reproduceerbaarheid niet kunnen worden uitgedrukt in een beeld. Goochelaar Angier gebruikt de machine voor zijn transporteertruc, en moet daarvoor onder het podium steeds zijn gecreëerde kopie doden.

Misschien kunnen we, alweer met hulp van Agamben, terugkijken en ons afvragen of die hele aura wel ooit echt heeft bestaan. Ik las dat Nikola Tesla als kind in Servië ooit bewonderaar was van epische verhalen, die hij uit zijn hoofd leerde. Het epos, ja, dat geeft ons een plaats in of buiten de geschiedenis, maar wel door het van buiten te leren, waardoor het leven wordt bevroren in magische formules, ook herkenbaar in de 'versierende bijvoegsels' (epitheta ornantia) van Homerus.

Plato dan? Met Agamben hebben we geleerd om voorzichtig te zijn met de opvatting dat zijn ideeën (de titel overigens van deze blogserie) een soort perfecte kopieën van de dingen zijn. De idee is geen kopie maar het ding zelf, dat bestaat in zijn 'zegbaarheid', de mogelijkheid het te benoemen met zijn echte naam. Maar die ideale naam (zeg maar de waarheid) kunnen we vooralsnog alleen gebruiken als vooronderstelling zolang we niet weten wat de taal is, zolang we de taal gebruiken binnen een wereld die functioneert door zich op te sluiten in de taal. Zo blijven we vooralsnog opgescheept met kopieën, en gaat het echte ding, de unieke persoon ook achter de kopieën, verloren.

Aan tragedies geen gebrek dus. De filosoof heeft de keuze of hij achter de tragische dichter aan holt in de hoop dat hij met zijn wijsheid nog enige troost kan bieden. Ook kan hij, zoals Agamben in zijn Pulcinella-boek, de komische route volgen en zijn karakter als een kledingstuk afleggen, het leven nemend voor wat het is. In zekere zin is dat wat we in The Prestige zien. De dochter van Borden verliest haar moeder, en haar vader belandt in de gevangenis. Maar op het eind blijkt alleen diens broer geëxecuteerd en kan de dochter haar vader omhelzen, waarmee die dus alsnog zijn ware naam lijkt te verdienen, 'the prestige'. Geloof het of niet, maar wat doet dat ertoe als je je vader kunt omhelzen.

Ik kies vooralsnog de komische route, die heeft me altijd aangesproken. Denk nu niet dat me dit veel moeite kost. Laat ik even herinneren aan die mail van Lily. Het kijken van de film kostte me overigens geen cent. Dankzij mijn dochter Noraly hebben we hier Netflix op het scherm. Het enige wat ik hoefde te doen was Noraly appen om haar wachtwoord. Toevallig, geloof het of niet (maar u wil graag bedrogen worden), had zij The Prestige enkele dagen geleden ook gezien. Ze was benieuwd wat ik ervan vond. Welnu, ik vind het een uitermate prettig idee dat ik de film kan relateren aan een leerling die mij lief is en aan een dochter die mij lief is. Voor hen heb ik graag deze blog geschreven, dit stukje spektakel geboden.

Waar vind je een dode, gele kanarie voor op de voorpagina? | De ...

donderdag 21 mei 2020

In Anna Karenina draait het om Levin

Al zeker veertig jaar had ik Anna Karenina niet gelezen. Dat is niet vol te houden. Vroeg of laat heb je behoefte aan wat ontspanning. Ik heb nu nogal wat tijd dat ik op de bank lig en even moet afkicken van de filosofie. Dan is 800 bladzijden niet te veel.

Ik had me stellig voorgenomen over dit boek geen blog te schrijven. Je moet ook eens iets kunnen lezen zonder er een blog overheen te gooien en alles weer te bederven. Maar die blogschrijverij is nu eenmaal mijn grote zwakte, en zo zit u dan weer even met mij opgescheept.

Wat na lezing het meeste blijft hangen is dat niet Anna, maar Levin de hoofdpersoon is. Je vermoedt dat hij het personage is met wie Tolstoj zich het meest identificeert. Hij boert er goed op los en belichaamt zodoende het ideaal van de oudere Tolstoj zelf. Levin krijgt veel meer aandacht dan Anna. Op een gegeven moment lijkt het zelfs even tot een romance tussen die twee te komen, maar Levin wordt door zijn vrouw op zijn vingers getikt, ze doorziet hem meer dan hij zichzelf, en Levin gedraagt zich vanaf dat moment afstandelijk jegens Anna.

De boer heeft allerlei voordelen boven de stadsmens, daar heb je Yvonne Jaspers niet voor nodig. Sterker nog, die hele Yvonne Jaspers is een vrouw met maniertjes die niet past in de vrouw zoals die Tolstoj voor ogen staat. Een vrouw moet gewoon zijn, oprecht, en ze mag zelfs gelovig zijn, zoals de vrouw van Levin. Ze mag fouten maken, zoals haar knieval voor Vronski, maar moet daarna weer terugkeren tot het besef waar het in dit leven om draait, en dat is meer de ziel dan de status.

Anna is een soort Medea. Dat ze uiteindelijk onder de trein springt is vooral om Vronski te straffen. Terwijl Vronski nu ook weer niet veel fout heeft gedaan, het is zelfs onterecht dat Anna hem ervan verdenkt steeds uit huis te gaan om contact met andere vrouwen te zoeken. Zo wordt Anna de jaloerse minnaar die je eerder op haar echtgenoot zou projecteren. Maar de jaloezie à la Medea is zelf ook weer niet zo erg. Ze getuigt van liefde, die altijd nog een stuk beter is dan de liefdeloosheid, zelfs als die alleen maar vermeende liefdeloosheid is.

Aan Levin zie je uiteindelijk het beste hoe het zit met de buiten- en de binnenkant. Mensen zijn er goed in om de essentiële zaken van het leven voor zichzelf verborgen te houden. De zelfkennis komt met nadenken en vooral met wat je zoal meemaakt in je leven. Daarom is het laatste hoofdstuk, wanneer Anna al dood is, veel meer dan een epiloog. Levin komt terecht in een vreselijk onweer, en vreest even dat vrouw en zoontje onder de neergebliksemde boom zijn gestorven. Dat blijkt gelukkig niet het geval, en dan ontdekt Levin punt één dat hij van zijn zoontje houdt, en punt twee dat hij diep in zijn hart altijd van hem heeft gehouden.

Meesterlijk is dat Tolstoj deze hele huiselijke slotscène vertelt tegen de achtergrond van de Servische oorlog die op verre afstand gaande is. Er vindt zelfs een discussie plaats met een vriend en een bezoeker die sympathiseren met de Russische volksziel. Levin moet daar niets van hebben. Die volksziel is niet de ziel die hij aan het ontdekken is. Dat is de persoonlijke ziel waarmee je empathie kunt voelen, medelijden vooral, met alle volkeren, en sympathie voor de oprechte strevingen bij andere volkeren, inclusief de moslims.

Hier wordt ook duidelijk waarom het zo belangrijk is om ofwel boer te zijn, ofwel dingen te doen zoals boeren die doen, zoals eerlijk werken en afstand te nemen van de moderne stadscultuur. Je kunt nadenken en boeken lezen tot je erbij neervalt, maar dat brengt je allemaal niet zoveel. Uiteindelijk wordt je cynicus of nihilist. De boer merkt dat hij bij alle twijfels en melancholie gewoon is doorgegaan met zijn dingen doen. Hij neemt de juiste beslissingen, hij doet elk dag wat er die dag gedaan moet worden.

Misschien zou je hier een link kunnen leggen met de conatus (streven om in het bestaan te blijven) van Spinoza, die door Agamben wordt gelijkgesteld met de 'eis om te bestaan' zoals Leibniz die zag. Tolstoj zelf lijkt zich af te keren van het materialisme, maar in feite zet hij met het personage Levin iets neer dat meer is dan een geestelijk proces. Vanuit zijn bestaan en zijn werk, vanuit zijn huwelijk met ups en downs met vrouw Kitty komt Levin geleidelijk tot zijn wijze inzichten, en - even belangrijk - slaagt hij erin die inzichten te verankeren in zijn bestaan. Hij hoeft niet meer steeds na te denken hoe het zit met zijn ziel, en hoe dat voelt. De ziel ligt binnen bereik en verandert - zoals Agamben zou zeggen - in een levensvorm. 'Levinsvorm' zou je bijna zeggen, maar dat soort woordspelletjes past niet bij de serieuze Tolstoj. En als we dan toch aan woordspelletjes doen, zou ik eerder denken aan het Joodse Levi, 'mijn lef', 'mijn hart'.

 Anton Mauve | Aquarellen vh. te Koop | Boer met zijn ploeg


vrijdag 8 mei 2020

Schrijven over film - Inglourious basterds

Als je over Tarantino schrijft, kan dat alleen maar afdoen aan de grandioze effecten van zijn films. Wie zit er te wachten op verheldering van zijn motieven behalve intellectuelen? Filmkritiek neemt daarmee automatisch de functie op zich van beheerder van de toegang. Je lokt mensen naar binnen of je adviseert hen juist om weg te blijven.

In de film Inglourious basterds zelf zou je Shosanna kunnen zien als die beheerder. Ze beheert in de oorlog een bioscoop in Parijs. Daarmee verandert dan misschien impliciet ook de functie van iemand die schrijft of denkt over de film, in dit geval ik. Laten we voor het gemak alvast zeggen: ik ben Shosanna. Maar er kan meer gebeuren dan alleen beheer.

Extra pikant is dat de film in 2009 is uitgebracht door Universal Pictures en The Weinstein Company. Dat onderstreept de betekenis van de vrouw die ten prooi valt aan de jager maar het daar niet bij laat zitten. Een andere onderstreping van die macht, althans in de fantasie die Tarantino ons voorschotelt, is dat hij het werk aan zijn film in 2002 onderbrak en tussendoor zijn twee Kill Bill-films maakte. Ook een vrouw die huishoudt. Er loopt dus een lijn, die je de Electra-lijn zou kunnen noemen, van Inglourious basterds naar Kill Bill en weer terug, en misschien ook nog naar Once upon a time in Hollywood. Electra schakelde haar broer Orestes in om de wraak op hun overspelige moeder te voltrekken, en als je het zo ziet, dan is Once upon a time een grensgeval, omdat Sharon Tate haar buren niet inschakelt, maar wel in onwetendheid van hun diensten profijt heeft, omdat ze de Manson-vriendjes uitschakelen.

Een schrijver zal het nooit helemaal rondkrijgen, net als Shosanna het niet rondkrijgt. Op de eerste plaats kan ze de hele nazileiding uitschakelen, maar haar vermoorde familie krijgt ze er niet mee terug. Daarnaast wordt ze bij het vertonen van de film voor de verzamelde nazitop in het draaihok gestoord door de held van de film, een nazi, wat na een worsteling leidt tot de dood van beiden. Dat de wraak toch nog doorgang vindt, is te danken aan drie hulpkrachten. Ten eerste is het mechaniek al in gang gezet, en op het moment suprême verschijnt Shosanna voor het nazipubliek in beeld terwijl ze dan al dood is. Ten tweede wordt ze geholpen door filmmedewerker Marcel, haar Afro-Franse minnaar. Die kun je dus gerust als haar Orestes zien. Ten derde is ook de groep van 'Apache' Aldo Raine bij de aanslag betrokken, met explosieven onder hun kleren.

De schrijver, ikzelf in dit geval, zit in een veel comfortabelere positie, maar zou mijn meerwaarde kunnen gebruiken door te wijzen op het belang van het niet rond kunnen krijgen van dingen. Daarmee volg ik trouw filosoof Giorgio Agamben, die meermaals heeft betoogd dat kunstwerken ontstaan door een spel te spelen met 'het vermogen om iets niet te doen'. Dat is een weerstand van binnenuit, en niet van buitenaf. Dat lijkt moeilijk te rijmen met twee zaken die bij Tarantino een rol spelen. De films van Tarantino zijn vooral spektakel, het gaat om de buitenkant. De film verwijst nergens naar, we hebben ons geamuseerd, we hebben gelachen. Daarnaast is de wraak ook een triomf van de moraal over het kwaad, gesymboliseerd door de nazi's. De weerstand wordt dus dubbel geprojecteerd, op het doek en op de kwade machten van de geschiedenis. Maar Tarantino voegt zich ook in oeroude krachten, met name die van de tragedie en de komedie, en daardoor kunnen we de film overdenken als een moreel drama met zelfs educatieve waarde.

Agamben zegt dat er in de film een opvoedende waarde zit, doordat hij ons kan terugleiden van de zenuwtic naar het gebaar. In het centrum van de film lijkt de zenuwtic te staan. Iedereen, inclusief de toeschouwers, reageren automatisch op de beelden zonder dat er enig verband tussen bestaat. Alles valt uiteen in segmenten en gezichtspunten, en die gezichtspunten in directe reacties. Met Walter Benjamin kun je zeggen dat met de technische reproduceerbaarheid ook de 'aura' is verdwenen, de ervaring van verte. Alles komt dichtbij, en we worden door de beelden opgeslorpt zoals een bij door zijn bloem.

We kunnen bij het gebaar komen via de weerstand van binnenuit. Die is minder direct zichtbaar, en soms zie je die alleen als je er wat extra aandacht aan geeft. Dat zou dus de functie van de schrijver kunnen zijn. Los daarvan symboliseert de schrijver al die weerstand doordat hij minder aantrekkelijk dan de film is en vooral ook trager. Er zijn maar een paar mensen die hem lezen, en we kunnen rustig zeggen dat het met name de ongelezen schrijver is die de weerstand van binnenuit het meest symboliseert. De schrijver onderscheidt zich daarin alsnog ook van de criticus die meer lijkt op Shosanna die het publiek verleidt om de film te bezoeken, om er vervolgens te worden beloond of te worden afgemaakt, maar hoe dan ook als toeschouwer.

Het gebaar van de film zit misschien nog het meest in wat onzichtbaar is. Zoals Janet Harbord uitlegt, is de film beweging niet alleen vanwege de beelden, maar meer nog door het zwart tussen de beelden, het 'interval'. We zouden ook kunnen zeggen dat het zwart in dit geval de materie is, de materie die we volgens Agamben moeten zien als de eis om te bestaan. In de film wordt die materie gesymboliseerd door de enorme stapel nitraatfilms die Marcel achter het scherm had verstopt en die hij op het Uur U met een sigaret in vlammen zet. Je zou dus kunnen zeggen dat de film niet alleen is wat je ziet maar ook de film achter de film, de film die jou niet ongeschonden naar buiten laat gaan.

Er zijn tekenen dat Tarantino zelf heel goed het verband zag tussen groteske extremiteiten en subtiele details. Zo eiste hij dat de personages op hun taal werden geselecteerd. Ook zijn er beslissende momenten waarop het gebaar van belang is. Zo doen de 'basterds' zich in een scène voor als Duitse officieren, maar op het moment dat een van hen drie schnaps bestelt, doet hij dat met een gebaar dat de Duitsers anders maken, en zo wordt hij ontmaskerd. Europa wordt begrepen door een Amerikaan, ongetwijfeld zelf in zijn hart een basterd.

We hebben niet door hoe we geraakt zijn. We hebben immers niet zoals Shosanna direct belang bij terugkijken. Zij heeft de moord op haar familie overleefd en moet met dat gegeven iets doen. Agamben in zijn Auschwitz-boek behandelt dat aspect onder de naam 'getuigenis'. Getuige is niet de derde partij die het oordeel uitspreekt (testis) maar de overlever die zich schaamt omdat ze niet tenonder is gegaan (superstes). Laten we niet vergeten dat ze tot overlever is gemaakt door SS'er Landa die haar had kunnen doodschieten toen ze wegrende.

Goed, Shosanna heeft dus alle belang bij terugkijken. Maar wij? Ik? Waarom zou ik? Ik heb er geen reden toe, behalve misschien dat ik zelf op een minder spectaculaire manier, maar toch, 'slachtoffer' ben van het spektakel. In mijn blogserie kwam ik erachter dat ik mezelf altijd zag als iemand die ooit de beslissing nam om vanwege morele redenen te stoppen met muziek, en over te stappen op de studie theologie. Ik was dus een soort filmheld, ik zou de wereld redden of tenondergaan. Later zag ik dat ik die held nooit geworden ben, en onder het mom van theologie gewoon ben doorgegaan met muziek, of 'muziek', zoals het schrijven van deze blogs. Ik ben dus geen slachtoffer, ik heb mijn eigen falen als musicus overleefd door - via de theologie en het schrijven - falend musicus te blijven, doorgaan ook nadat de lezer is afgehaakt.

Shosanna en ik hebben er alle belang bij om te verbergen wie we zijn, ook voor onszelf. We blijven onder de radar. We zijn nu eens bedienden, dan weer beheerders. Nu eens worden we geprezen, dan weer bijna ontmaskerd of genegeerd. Nu eens zijn we geliefde, dan weer bekijken we u vanuit het duister, cat people. Kortom, we houden ons in beweging. Dat is het gebaar. Het gebaar van Shosanna is ook dat ze midden in de droom het middel zichtbaar maakt, ze laat de film door haar vingers glijden en voegt er een stukje tussen, de aankondiging van haar wraak. Niet alleen de nazi's, ook wij worden wakker en kunnen nu denken: ah, deze film is echt, en het is maar een film. De fascisten zijn niet dood, ook zij hebben zichzelf overleefd.

Met haar gebaar schudt Shosanna ons een beetje wakker, en zo hebben we nog de mogelijkheid om de filmzaal ongeschonden te verlaten.

By the Victors: Meta-Propaganda in Captain America and Inglourious ...

zaterdag 11 april 2020

Heliotrope en vuurtoren - Pauline Schrooyen over Solovjov

We worden overspoeld door zonneschijn, maar worden gemaand binnen te blijven. Dat heeft ook weer voordelen, want zo heb ik tijd voor Pauline Schrooyen, die in 2006 promoveerde op Solovjov. Mijn serie startte met de promotie van Josephien van Kessel over de Russische filosoof Sergej Boelgakov. Omdat ze Agamben in haar benadering betrok, reageerde ik als het hondje van Pavlov en ben ik verdergegaan, erop vertrouwend dat zich zoiets zou aandienen als een ondergrondse gang tussen Agamben en de Russische sofiologie. Bij Manon de Courten ontdekte ik een belangrijk motief, dat van de Sjechina, de vrouwelijke ander van God, oftewel Zijn vrouwelijke aspect. Het leverde me op dat ik bij Agamben beter kon zien hoe hij de relatie tussen de spektakelsamenleving en de politiek denkt. In termen van de Kabbala zou je dit kunnen framen als de verbinding tussen Sjechina en Malkoet ('koningschap'), een verbinding die Manon presenteert als het programma van de sofiologie bij Solovjov.

Omgekeerd kun je bij Solovjov nu beter zien welke positieve betekenis de separatie heeft, gesymboliseerd in het 'between the lines', dat Manon - sterk gedoseerd - op belangrijke plaatsen naar voren schuift. Sjechina is de sefira (een soort emanatie van het Ene) die van dat ene is afgescheiden, en weer in verbinding ermee moet worden gebracht. Voor die verbinding hebben we die sefira weer nodig, in Shechina zelf is de kracht geborgen waarmee we de omkeer kunnen voltrekken.

We zijn nu een dag verder, en ik blader door Pauline. Ik ben me ervan bewust dat ik speel met het beeld van een Blauwbaard die de vrouwen een voor een naar binnen lokt, maar die vrouwen kennend denk ik dat ze wel beter weten. Ik ga op bezoek, niet zonder hun toestemming, en op gepaste afstand, die tegenwoordig geldt als de voorwaarde voor een waarachtig vriendschappelijk contact (dat je ook dan nog nooit kunt claimen). Ook hier weer die positieve betekenis van de separatie.

Allereerst past hier een correctie. U had op de afbeelding in mijn vorige blog al kunnen zien dat Sjechina tussen de tien sefirot ontbreekt. Een kleine verkenning leert me dat Sjechina een andere naam is voor Malkoet. Het gaat hier om een ingrijpende correctie. Het is niet zo dat Solovjov zelf een verbinding legt tussen twee sefirot die gescheiden waren (wat ik dus even dacht, ik dommerik), maar het gaat om eenzelfde sefira. Met andere woorden, in de weergave van Agamben is ook de sefira Koningschap gescheiden van het Ene, of hoe je En-sof ook verder wil aanduiden. Het gaat er niet om, de spektakelmaatschappij bij de ware politiek te (laten) brengen, maar om de spektakelmaatschappij, die zelf al politiek is, te (laten) brengen bij zijn keerpunt, waarna verbindingen met de andere sefirot weer mogelijk zijn.

Op internet vind ik een interessante opmerking over Sjechina:
In the imagery of the Kabbalah the shekhinah is the most overtly female sefirah, the last of the ten sefirot, referred to imaginatively as 'the daughter of God'. ... The harmonious relationship between the female shekhinah and the six sefirot which precede her causes the world itself to be sustained by the flow of divine energy. She is like the moon reflecting the divine light into the world. (Alan Unterman)
Interessant is niet alleen dat Shechina hier niet de vrouwelijke ander van God wordt genoemd, maar Zijn dochter. Het gaat om beelden die zwenkend en meerduidig kunnen zijn, maar evengoed een 'zone van ononderscheidbaarheid' kunnen aanduiden, zoals we bijvoorbeeld ook zagen in Agambens duiding van de Eleusische mysteriën.

Interessanter nog vind ik het beeld van de maan. Dat raakt bij mij een snaar vanwege mijn afkomst, en ook daarover had ik u eerder verteld. Als je nu Heerlen zou bezoeken, dan zie je om het station heen een mini-stadje, het 'Maankwartier', dat is gebouwd volgens het ontwerp van kunstenaar Michel Huisman. Bovenop staat een torentje met iets wat eruitziet als een schotelantenne. Maar het gaat om een heliotroop, een spiegel die het zonlicht opvangt en doorgeeft naar andere plaatsen. Het is bovendien niet uitgesloten, realiseer ik me nu, dat deze spiegel evenzeer een 'selenotroop' is, als 's nachts de maan genoeg licht weerspiegelt van de zon, dat door de helio- of selenotroop wordt doorgegeven.

Bij Pauline komen we de heliotroop tegen op p.48, maar vooral op p.56 e.v. als zelftypering van Solovjov. Solovjov zag zichzelf als een heliotroop. Volgens Pauline duidde hij daarmee op zijn geprivilegieerde positie als intermediair tussen deze wereld en de goddelijke. Maar daarnaast wilde Solovjov ook een 'shining example of moral strength' in de Russische samenleving zijn. Dit zou het probleem oplossen dat je hebt als je bij Pauline zoekt naar de sofiologie. Ik blader me suf, maar ik kom de hele naam Sofia nergens tegen. Maar dat geeft dus niet, we hebben nu de heliotroop, wat een benaming is voor Solovjov, maar ook (als maan) voor Sjechina/ Sofia.

Laten we niet voortijdig afhaken. Pauline vervolgt haar uitleg met een voor mij vertrouwde  verwijzing naar Plato, namelijk de grotvergelijking in Politeia. De lezer kent dit verhaal, waarin Plato Socrates laat vertellen hoe mensen van kleins af aan met boeien vastzitten in een grot, met hun gezicht gekeerd naar de rotswand. Daar worden figuren geprojecteerd met behulp van een lichtbron die de grotbewoners niet kunnen zien. Met geweld wordt een van hen losgemaakt en buiten de grot gevoerd. Hij krijgt dus, zou je kunnen zeggen, het 'privilege' dat hij de wereld kan zien zoals die door de zon beschenen worden, de idee van het goede. Vervolgens krijgt de bevrijde man zin om weer terug te keren naar de grot om de bewoners te vertellen hoe de wereld buiten de grot eruitziet. En Socrates suggereert vervolgens: wat verwacht je? Hoe zullen de bewoners reageren? Zullen ze hem niet uitlachen en wellicht zelfs doden?

Het is me niet helemaal helder wie nu deze vergelijking toepast op Solovjov, is het Pauline of Solovjov zelf? Hoe dan ook, in het betekenisuniversum van de heliotrope blijf je altijd met meerduidigheden, omdat de heliotrope tegelijk spiegel en lichtbron is. Maar misschien nog meer. Bij Plato's Socrates vind je de dubbelzinnigheid dat hij niet zelf het licht van de waarheid doorgeeft, maar de mensen alleen maar - als een vroedvrouw - helpt om zelf die waarheid te vinden. De mensen zelf beschikken over het licht. Bij Solovjov is dat minder helder, maar ook weer niet onhelder. Solovjov wijst de mensen niet alleen hoe ze hun weg naar de juiste bestemming kunnen vinden, maar hij doet dat ook nog door zelf - als heliotrope - het licht te verspreiden.

Het lijkt dan ook niet minder of meer dan logisch dat bij Pauline het beeld verschuift. We begonnen bij de heliotrope, maar komen uit bij de 'lighthouse' een bladzijde verder. Je zou kunnen zeggen: het beeld heeft zichzelf gekeerd, het wordt nu een lichtbron. Maar ook: het licht van de vuurtoren trekt de aandacht door te draaien, door het licht af te schermen en permanent rond te laten gaan, zodat het lijkt dat het licht zelf draait.

Al deze aspecten zullen we met niet al te veel moeite terugvinden in de Kabbala en bij Plato. Het gaat er dus niet om, Pauline te oordelen op gedraai, op het 'trope-aspect' van haar typering van (de (zelf-)typering van) Solovjov. Integendeel, op dit moment ben ik me ervan bewust dat ik Pauline zelf inzet als een heliotrope, ik ben te lui en heb het geduld niet om in de teksten van Solovjov zelf te duiken, en vertrouw op haar studie. Ik vertrouw er ook op dat precies de afscherming van het licht ons op een nieuwe manier brengt bij Solovjov, Plato en Agamben.

Wat Agamben betreft is dit zonneklaar. We hadden aan de hand van de filmtheorie van Janet Harbord gezien dat het licht er bestaat dankzij het zwarte interval, en onlangs nog lazen we Agamben over de poëzie van Cavalcanti en het 'vallen van het wit'. Ik zou er dus voor aarzelen om Agamben een heliotrope te noemen, zijn filosofie draait om datgene wat door het licht aan het zicht onttrokken raakt, zoals de gloria die God aan het zicht onttrekt door hem te tonen, en de energeia (in-werking-zijn) die de dunamis (vermogen) zo opslokt dat deze onzichtbaar wordt.

Er is overigens een goede reden om het licht af te dekken om ervan gebruik te kunnen maken. Dat maakt Plato duidelijk, wanneer hij vertelt dat de bevrijde man buiten de grot pijn aan zijn ogen krijgt vanwege het zonlicht. Hij heeft dus tijd nodig om eraan te wennen. Het wennen is dus de sleutel tot het kunnen verblijven buiten de grot:
συνηθείας δὴ οἶμαι δέοιτ' ἄν, εἰ μέλλοι τὰ ἄνω ὄψεσθαι
Gewenning dus, denk ik, zal hij wel nodig hebben, als hij de dingen daarboven gaat zien. (Politeia 7, 516a)
Aan het Grieks kun je zien (het -ηθ-) dat hier de ethiek van Plato in het spel komt. Ethiek heeft te maken met èthos, gewoonte. Je moet de dingen tijd geven, wat Socrates verder verheldert door een volgorde te suggereren. Begin niet meteen met de zon, maar met de dingen dichterbij, en stijg uiteindelijk via de maan en de planeten op naar de ideeën. Om dat te doen, zou je natuurlijk weer kunnen denken, moet je al een idee hebben van die ideeën, anders begin je er niet eens aan. De ideeën, zegt Agamben, zijn dus de dingen zelf 'waardoor' we überhaupt in staat zijn de dingen in hun vorm of naam te kennen. Het is alsof we de zon zelf moeten zien, nog voordat we hem kunnen zien, voordat we de heliotrope als zodanig kunnen onderscheiden. En laten we niet vergeten dat die zon ook maar weer een metafoor is, een trope.

Kunnen we met deze benadering ook verderkomen als we ons wenden, ditmaal naar Solovjov? Ja, en wel aan de hand (figuurlijk) van Pauline. Ze benadrukt dat het bij Solovjov ging om een juiste houding (wat helemaal past bij Plato maar meer nog bij Aristoteles, de habitus), en die kun je al hebben door gewoontes. De ethiek is weliswaar gericht op goede daden (ta erga), maar die hebben zonder de houding geen betekenis. Belangrijker dan dit is dat Pauline Solovjov vooral ziet als voorstander van christelijke politiek. In termen van Paulus, ook zoals we die kunnen lezen via Agamben, betekent dit dat we eenvoudigweg niet de tijd hebben die nodig is om eens rustig à la Plato te wennen aan het licht. De tijd is eindig, we leven in de tijd van het einde. De poeblitsistika verklaren waarom Solovjov stopte met wat hij het liefst deed, namelijk Plato bestuderen. Er wachtten dringende problemen, en die moest hij te lijf, en net als Plato zelf op Sicilië slaagde Solovjov er niet in om de elite met zijn boodschappen te bereiken.

Tegelijk is er een bepaald type christelijke politiek dat er maar al te goed in slaagt om de elite te bereiken. We zijn opgevoed met het idee dat Europa, Nederland of Rusland een speciale taak in de wereld heeft, wij zijn de bakens (Russisch: 'vechi') die de wereld het stralende voorbeeld geven van hoe de landen hun urgente problemen moeten aanpakken. En zo draaien we onze rondjes, want de vuurtoren is onze manier om als baken te fungeren in deze wereld. In deze omstandigheden heeft alleen al het gebaar van de heliotrope betekenis. Het is een herinnering aan de separatie, het gegeven dat we zelf geen lichtbron zijn, maar licht opvangen, afzwakken en doorgeven aan anderen, het licht dat - niet te vergeten - van de ander komt, inclusief de mensen van wie we menen dat ze in duisternis verkeren.

Een belangrijk gegeven is ook dat Solovjov - anders dan Boelgakov - minder besmet is door de erfzonde. Daarover kunnen we weer van alles lezen bij Manon. Solovjov gaat voor zijn christelijke geschiedenisopvatting niet terug op Augustinus, maar op Ireneus. We kunnen dus - met Agamben - nog steeds een kijkje nemen in het paradijs, de tuin waarin we lekker niet hoeven te werken. Het is dan ook minder erg wanneer we er niet in slagen onze doelen te bereiken. Hadden de slavofielen en marxisten daar wat beter naar gekeken, dan hadden ze misschien meer kans gehad om de hongersnoden op te lossen. Nu hadden ze het idee dat ze zelf die lichtbron moesten worden die alle problemen moest oplossen, door alle macht te concentreren in een natie of partij. Daar had Solovjov zich met enig succes tegen geïmmuniseerd. Een volgende stap zou het streven naar groepsimmuniteit kunnen zijn.

A German postcard representation of the Lorelei/Loreley, the siren ...