Het christendom is onpasseerbaar. Dat hebben we weer eens ontdekt met Walter Benjamin, die een alternatief zocht voor een ethiek die zich opnieuw wil laten inspireren door het theater, waaruit de ethiek stamt (zie hier). Het Duitse baroktheater verschilt van de oude Griekse tragedie, en heeft minstens zo'n grote invloed op ons. Dat zie je bijvoorbeeld aan onze liefde voor Bach, zeg ik (niet dat ik Bach bij Benjamin tegenkwam). Hij is klank die ons overweldigt, maar ook notenschrift. In Die kunst der fuge kom je canons en spiegelcanons tegen, wat je moeilijker hoort dan ziet. De muziek overweldigt ons, maar als je haar analyseert zie je schema's, structuren, dode, onbeweeglijke taal. Ook dat is Bach, de polyfonie die de melodie ontransparant maakt, ondoordringbaar, geen symbool, eerder allegorie.
De allegorische taal van de barok is voortzetting van een onderstroom in het christendom, die we kunnen terugvoeren op mystieke stromingen en de gnostiek. Vergeet niet dat Bach gevoelig was voor getalssymboliek. In mijn luttele maanden op het conservatorium leerde ik met twee theoriedocenten het getalsequivalent van Bach (B= 2, A = 1, C = 3, H = 8, samen 14) te herkennen in zijn inventies. Natuurlijk kun je Bach prima waarderen als je die getallen niet hoort, maar het zegt wel iets over het soort christendom waartoe hij zich bekende. Een mengsel van spontaan heftig gevoel met muzikale architectuur, getallen, bizarre toccata's en omvorming van bijbeltekst tot recitatief.
Het is uiteindelijk wel zeker dat ons leven goed afloopt, in het christendom, maar tussendoor kun je van alles tegenkomen: demonen (gemene en ondeugende), pijnigingen, intriganten... De tactiek van de barok is om je helemaal te verstrikken in die stemmen en beelden, vierstemmig, vijfstemmig, zesstemmig etcetera. Zo heeft de barok wellicht de ervaring van het sublieme (Erhabene) voorbereid, waarin Kant zijn toevlucht zocht om het oordeelsvermogen bij zijn limiet te brengen, in zijn 'kritiek'. We kunnen dingen meemaken die we niet kunnen bevatten, maar waardoor we wel geraakt worden. Zijn voorbeeld is het Alpenlandschap, dat niet mooi is, maar dodelijk, en toch ervaren we het als 'verheven'.
In de boeken (nee, zegt auteur en vriend Harry Kuster, het zijn 'boekjes') die ik nu lees gaat het over de analogie van het zijn. Dat is een problematiek die schijnbaar analoog is aan het sublieme bij Kant. Het zijn verschilt van de zijnden, en dit zou temeer kunnen gelden voor God, zoals hij in de middeleeuwse filosofie werd gedacht. Maar ook zonder over God te spreken kun je het zijn nooit als predicaat zien, als iets wat je in waarheid kunt toekennen aan een zijnde. Dit was de mening van Kant, en werd door Heidegger op de spits gedreven, door de verhouding tussen zijn en zijnde te thematiseren rond de zijnsvraag en de zijnsdifferentie.
Spreken over de verhouding tussen zijn en zijnden als analogie (het zijnde is analoog aan het zijn, komt ermee overeen met inachtneming van verschil en identiteit) is een 'te makkelijke oplossing', zegt Heidegger. Het zijn is niet zodanig, openbaart zich in de zijnsvraag niet zodanig, dat we het zomaar kunnen verwoorden en interpreteren. Er is een bepaalde gevoeligheid nodig die voorafgaat aan die vraag. In de barok zou je de melancholie als een dergelijke gevoeligheid kunnen zien, die bij Heidegger de vorm aanneemt van de verveling. De dingen zijn er wel, maar ze zeggen ons niets meer, er opent zich een afgrond.
Het mooie van Harry is dat hij me verleidt, dat ik me door hem laat verleiden, om mijn beschouwingen over de verbeelding in vorige blogs te laten uitdagen. Als ik zoveel gemeenschappelijkheid zie met zijn benadering, waarom ga ik er dan niet in mee? Ook bij Harry zie ik een soort afgrond, die van de negatie. Was de negatieve theologie niet oorspronkelijk een mystieke ervaring? Eckhart? In de jaren negentig las ik met mijn filosofische vrienden Derrida, Marion en in het spoor daarvan ook Bachtin. Als de auteur van een polyfone roman zich alleen maar meedeelt via de stemmen van zijn personages, is hij precies zo het beeld van Gods 'liefdevolle beschouwing' van zijn schepsels. Ook God toont zich door zijn oordeel niet te vellen, in de zwijgende Christus tegenover Pilatus.
Zo zijn er drie modellen om de verbeelding te betrekken op het zijn: 1) de negatie, het is onmogelijk en onzinnig om het zijn als predicaat op te vatten, en we kunnen dus beter maar zwijgen; 2) de analogie: omdat het onwenselijk en ondoenlijk is om over het zijn niets te zeggen, komen we uit bij de middenweg tussen negatie en identiteit; 3) de allegorie, we zeggen wel iets, maar wat we zeggen is geen predicaat, het is ons gebruik van de taal, onze manier om als mens te verblijven in het onzegbare. In mijn blogs kwam ik vooralsnog met Benjamin en Agamben uit bij dit laatste model. Maar zonder goed te begrijpen wat ik daarmee bedoel, ik zeg eigenlijk ook maar wat.
Op zijn manier doet Harry ook zo'n bekentenis, op de laatste bladzijde van het boekje De analogia entis - of over de zijnsanalogie. Onder verwijzing naar Popper en Kant geeft Harry toe dat onze 'onwetendheid op deze planeet vooralsnog oneindig' is (p.42). Daarom past ons 'verder een eerbiedig stilzwijgen'. Zo blijft Harry zich bewegen tussen model (1) en model (2), omdat precies de negatie mede een motief was om juist wél te spreken. Misschien zouden we zelfs, als onderstroom, ook model (3) kunnen onderkennen in Harry's manier van spreken. Daar zit veel overeenkomst met de barok, zoals ik die hierboven illustreerde met Bach. Sowieso krijg ik al twee boekjes, en vooral in dat andere, Een hardnekkig misverstand - Over verbeelding en vertrouwen, zie ik een soort versplintering die voor die barok symptomatisch is. We springen tussen psychoanalyse, ideeëngeschiedenis, theologie, seksuologie, literatuurwetenschap en ethiek, een boekbespreking staat ineens tussen een polemiek met een historische studie en een nieuwe beschouwing over Aelred. Ik kan genieten van de barokke taal van Harry, en ga - en niet alleen vanwege de personificaties - denken dat we ons binnen de allegorie bevinden, een spreken waarin naar het object wordt verwezen waarbij dat object opgaat in het verborgene.
Waarom niet Heidegger lanceren, op zijn Harry's? Dus niet door het probleem stap voor stap te analyseren, maar door ineens de term alètheia te laten vallen, 'on-verborgenheid'? Ik kom deze term, met de heideggeriaanse vertaling in elk boekje eenmaal tegen. In Een hardnekkig misverstand sluit Harry zijn polemiek tegen Dyan Elliott ermee af. Elliott verwijt andere historici die schrijven over homoseksualiteit in de middeleeuwen geen oog te hebben voor het geweld van clerici jegens jeugdigen. Harry besluit zijn kritiek met: 'Een dwaaltocht die helaas niet de onverborgenheid, de welgeronde waarheid of Aletheia (ἀλήθεια), de "Lichtung", op het oog heeft.' (p.20). Geen uitleg bij deze term, behalve met een andere term van Heidegger voor het zijn, 'Lichtung'. De termen worden hier, zou ik zeggen, een chiffre, een ondoordringbaar teken, een allegorie.
In het andere boekje komen we alètheia weer tegen, ook als afsluiting van een betoog, hier een 'relativerende opmerking'. De analogia entis is een menselijk construct. Het heeft betrekking op een hogere, transcendente realiteit, die alleen maar werkzaam is voorzover ze vanuit de lagere realiteit, die van de mens, wordt ingeschakeld. De mens is zelfs in staat om met zijn wereldoriëntatie het domein van de analogia entis af te grenzen. Maar: 'Of wij in dit kader van een onverborgenheid, aletheia of de waarheid, mogen spreken, is van een gans andere orde.' (De analogia entis, p.38) Daarbij voegt Harry een intrigerende voetnoot: 'Aletheia, waarheid of onverborgenheid. Zij is als personificatie van de waarheid een Griekse godin. Haar Romeinse of Latijnse equivalent is Veritas.' (p.38, n.93) Ook hier weer een allegorie, nadrukkelijker nog dan bij de eerste vermelding. Allegorie in de meest gangbare zin: personificatie.
Een personificatie is, zegt Benjamin, in de barok een manier om een ding nog intenser als ding te laten verschijnen. Misschien kun je de waarheid niet makkelijk zien als een ding. Het zou eerder de aura van een ding kunnen zijn, een 'ervaring van verte', in Benjamins termen. Ver zou in dit verband kunnen betekenen: de mens grijpt met zijn wereldoriëntatie in de wereld in, door deze af te grenzen. Zo denkt hij misschien die wereld dichterbij te brengen. Maar wat er evengoed kan gebeuren, dat is wat Harry hier openlaat, is dat de mens precies daardoor de aura herstelt.
De mens brengt het discours over de zijnsanalogie in om zijn wereldoriëntatie van een aura te voorzien, en dit zou zijn manier kunnen zijn om het zijn te laten spreken. Zijnsverborgenheid in de techniek als de manier van de mens om het zijn ter sprake te brengen.
Hier zit zeker iets komisch in, als ik denk aan hoe Agamben de verwijzing naar de metafysica bij Kant aan de orde stelt. Het is iets overbodigs, achterhaalds, maar toch spreken we erover. Er beantwoordt geen object aan, maar er is iets in ons, iets wat we niet goed kunnen vatten, waarom we er maar over blijven studeren, schrijven, peinzen. Iets baroks, meerstemmigs.


