zaterdag 20 juni 2026

Agambens positieve buitenwerkingstelling -

De verdedigers van de rechtsstaat hebben het moeilijk. Naarmate de mensen onze situatie meer ervaren als een crisis, wordt de wet een puur obstakel en opzij geschoven. Ga je in deze situatie de rechtsstaat verdedigen, zoals bijvoorbeeld oud-rechter Ybo Buruma, dan lijken we ons daarmee automatisch tegen de democratie te keren.

De politieke filosofie van Agamben, die ik blijf bestuderen, zet dit probleem in een wijds perspectief. Dat we de wetten aan de kant schuiven is niet iets van vandaag of gisteren, maar iets dat in de oudheid ook al voortdurend speelde. Het is bovendien niet alleen iets dat we bij autocraten tegenkomen, maar ook in ons eigen democratische naoorlogse Europa. Met enige overdrijving zou je de politieke filosofie van Agamben kunnen typeren als beschouwing over de opheffing van de wet. We moeten de minachting voor de rechtsstaat dus niet bekijken vanuit deze of gene crisis, maar vanuit de structuur van onze politieke orde, 'het lichaam van de politiek', zoals zijn recente boekje heet. Dat lichaam is niet het volk, maar de veelheid (multitudo) die in een spanningsrelatie staat tot de soeverein (staat, vorst). Zie vorige blog. De soeverein kan nooit zijn wetten ongehinderd opleggen, maar stuit op de permanente traagheid of weerstand van de onderdanen.

Nu ontpopt Agamben zich in zijn boekje en ook in zijn columns als een verdediger van de wetten. Dat maakt het meteen wel gecompliceerd. Als de opheffing van de wet behoort tot de structuur van de politieke orde, waarom kun je dan zo rechtstreeks een beroep doen op diezelfde wet? Moet je die niet - en al helemaal als filosoof - principieel ter discussie stellen?

Veel, zo niet alles, hangt af van dat woord opheffing. We kennen het in de filosofie vooral van Hegel (Aufhebung), die er de werking van de negatie in de dialectiek mee verhelderde. Een bepaalde morele of wettelijke orde ontwikkelt zich doordat er tegenkrachten opkomen. Minder bekend is dat Hegel deze term overneemt van Luther, die hem weer ontleent aan Paulus: katargèsis is de term die Paulus in het Nieuwe Testament gebruikt om de redding door Messias Jezus te benoemen. Jezus heeft de wet opgeheven, voortaan geldt de liefde van God. In het Grieks herkennen we de elementen kata (volledig, denk aan katastrofe), het ontkennende a- en het woord ergon, werk, daad. Iets is volledig zonder werk, buiten werking. Wat we gemakshalve als opheffing hebben gezien, moeten we opvatten als 'buitenwerkingstelling'. Het is daarbij een gelukkig toeval, of meer dan dat, dat we de filosofie van Aristoteles kunnen gebruiken om daarin de dunamis (vermogen, potentia) duidelijker te onderscheiden van de 'inwerkingstelling, de energeia. Zo kunnen we de potentia in de filosofie van bijvoorbeeld Spinoza inzetten als een vorm van katargèsis, een transformatie van de verhouding tot de staat.

Het Paulusboek van Agamben is het eerste boek dat ik lang geleden van hem las, en zoals ik in mijn vorige blog zei, won hij mij voor zich met dat boek. Ik zat toen nog enigszins in de Russische filosofie, werkte (zeer) kort als godsdienstleraar, en daarna als catecheet in de Kerk (weer dat voorvoegsel kata, hier meer met de betekenis omlaag, catechese is het op je laten neerkomen van een echo, de echo van het woord van God). (Maar misschien kunnen we beide betekenissen van kata, volledig en omlaag, niet scherp onderscheiden, en hebben ze altijd met elkaar te maken: dan is opheffing van de wet dus ook het omlaaghalen ervan, en catechese ook het volledig maken van de echo of iets dergelijks.) Ik beleefde het Paulusboek van Agamben als het samenbrengen van Bijbel, politieke bevrijding en de creatieve analyse van antieke teksten. Het was daarom ook maar een kleine stap om daarna klassieke talen te gaan studeren. Inzoomen op dat Grieks levert altijd iets op, verrassingen, ontmaskeringen, en soms ook rust.

Maar hoe lang ook geleden, het gebruik van de term katargèsis door Agamben vind ik nog steeds gecompliceerd. Toch bevat het wellicht de sleutel om zijn schijnbaar tegenstrijdige beroep op de wet beter te begrijpen. In Il corpore della politica legt Agamben de term nog maar eens een keer uit. Dit is nodig om te verhelderen hoe we de verhouding tot de staat moeten zien in de politiek die hij voorstaat, waarin het draait om de ballingschap (zie vorige blog). De staat verdwijnt niet, zoals Marx dacht, maar verliest zijn kracht. Dit lijkt dan weer een negatie. Maar de staat blijft bestaan. Wat verandert is onze verhouding ertoe.

In eerste instantie zou je dit kunnen zien als de concrete invulling van de traagheid die Agamben eerder in zijn boek besprak naar aanleiding van de lichaamsopvatting van Hobbes. Traagheid is een kracht, die van binnenuit komt, in de materie huist. Ze ontstaat niet pas als effect van de werking van andere lichamen, maar kan worden geactiveerd. Zo kunnen onderdanen weerstand bieden tegen de wet, tegen de staat. Maar wanneer Agamben de 'opgeheven' staat in positieve termen lijkt te impliceren, moeten we die traagheid evenzeer aanwezig achten in diezelfde staat. De staat is zelf met de geciteerde uitdrukking van Plotinus een fugè monou pros monon, een ballingschap van de enkeling in relatie tot de enkeling. Politiek is dus niet de ongehinderde realisering van de verlangens van de multitudo, maar de spanningsrelatie waarbinnen staat en veelheid de polen vormen.

Als mijn uitleg klopt, komt het beroep van Agamben op de wetten, bijvoorbeeld in zijn kritiek op de staatsinterventies tijdens corona, in een ander licht te staan. Hij is niet tegen de staat, niet tegen de wetten. Alleen moet onze relatie ertoe een transformatie doormaken. Dat houdt denkelijk in dat we twee posities afwijzen. Aan de ene kant het anarchisme waarbij we ons blind houden voor de wetten. Aan de andere kant een automatische toepassing van de wetten waarbij we voorbijgaan aan de spanningsrelatie met de 'veelheid' van burgers, onderdanen, het volk en daarbuiten.

Laat ik deze blog kort houden. Ik was op zoek naar het positieve element in de politieke filosofie van Agamben, vooral ook omdat ik me niet goed raad weet met zijn radicale kritiek, op Europa met name, en op staatsinterventies. De kritiek van Agamben vind ik moeilijk te rijmen met zijn beschouwingen over kritiek als zodanig, in zijn boek Karman (zie deze blog). Wat kan helpen, en hier spreekt de catecheet en leraar klassieke talen in mij, is het teruggaan naar de kern, de bron, de verwoording. Een beetje geduld, een beetje traagheid.




1 opmerking:

  1. Vooral de laatste zin lijkt mij een zeer terechte en passende notitie te zijn.

    BeantwoordenVerwijderen