zaterdag 29 oktober 2016

De nalatenschap van Deleuze - Dubbelbiografie van François Dosse

Op advies van Deleuze-kenner Monique Scheepers las ik de dubbelbiografie van François Dosse over Deleuze en Guattari. Het boek bevat zoveel intrigerende gegevens die het stuk voor stuk waard zijn te overdenken dat ik me niet waag aan een bespreking. Maar ik kan het ook niet laten er enkele gedachten aan te wijden.

Misschien, dacht ik, adviseerde Scheepers me dit boek omdat je het als een exemplum kunt lezen van de rizoom als experiment, of zelfs niet als exemplum maar als directe realisering. D&G zagen hun ideeën als machines (term van Guattari) die je kunt neerzetten en waarbij je kijkt hoe ze uitwerken. Veel voorbereiding heeft dat vast niet nodig. Je kunt altijd wel ergens beginnen. Er ontstaan al gauw horizontale contactpunten. En wat ontstaat kun je eigenlijk geen netwerk noemen. Een netwerk is een structuur. Een rizoom daarentegen is een agencement, een meervoudigheid die zich verbindt met andere meervoudigheden, wellicht te vertalen met 'arrangement', ook al zie je die term vaak terug op menu's als aanduiding van koppelverkoop, koffie met appelgebak voor een gereduceerde prijs.

De rizoom kun je neerzetten in bijvoorbeeld een school. Maar vergis je niet, een agencement is niet iets externs dat je ergens implementeert. Ongetwijfeld is die school allang een agencement. Ze is bezig met veranderen en connecten, zelfs als ze zich daartegen verweert. Een filosoof hoeft alleen maar deze zaken onder begrip te brengen, concepten uit te vinden die je niet moet opvatten als afspiegelingen maar als tools, of met een latere term, als diagrammen. Dat wil zeggen dat de concepten zich bewegen door (dia) de plateaux en heterogene elementen met elkaar verbinden. Bijvoorbeeld de wesp en de orchidee, waarbij de wesp orchidee wordt en de orchidee wesp. Ze bereiken nooit hun doel, en ze komen ook niet voort uit een eerdere identiteit. De wesp is nooit echt wesp geweest, evenmin als de orchidee. Ze waren altijd al iets aan het worden.

Zo voelde ik me al lezend zelf deel van de rizoom die op mijn school werd neergezet. Ik was aan het veranderen en verkende de concepten waarbij ik in mijn achterhoofd vaak al aan het denken was hoe ik die concepten zou kunnen inzetten. Kortom, ik was aan het veranderen, zoals ik eerder al een paar keer aan het veranderen was, Deleuze lezend of over hem. Maak je niet te druk over de impact of het succes dat je hebt, leek hij me te zeggen. Als je schrijft doe je dat om zelf te veranderen, las ik ergens in Dosse.

Lees ik Agamben, dan zit ik nooit ver weg van de Franse Heidegger-scene, van Derrida en Nancy. Nu ik over Deleuze las, was Heidegger ineens ver weg. Bij Dosse kom je niet alleen Heidegger niet tegen, ook de hele deconstructie is uit het zicht. Hoewel D&G zeggen dat je op elke plek in het rizoom kunt stappen, lijkt het erop dat, zeker Deleuze, zijn weg tamelijk bewust buiten de canon is begonnen, buiten de canon van met name de fenomenologie en het marxisme. Zijn keuze voor Hume en Bergson was op zichzelf al een statement. Gelukkig gaf Deleuzes trouw aan Sartre me weer houvast. Ook bleef Lacan lang in de buurt, en overleefde de psychotherapeutische betrokkenheid van D&G zelfs hun afrekening met Lacan in de Anti-Oedipous. Daarna bleven ze in La Borde en andere plaatsen patiënten met problemen behandelen.

Mochten we Agamben geloven, wat hij over Deleuze zegt in zijn essay over de immanentie, dan moeten we die afstand tot Heidegger opvatten als een kans om de connecties met die stroming anders te gebruiken. Deleuze staat met zijn immanentie-filosofie dicht bij Heidegger, dichter dan bij andere fenomenologen, althans de Heidegger van het Dasein dat in de wereld is. Voorbij Heidegger, op grotere afstand, staan Kant, Levinas en Derrida, die afrekenen met de ervaring en hun filosofie ophangen aan de transcendentie. Stabiel is deze afstand nooit, en hij zal vroeg of laat wellicht leiden tot een agencement, heterogene elementen die via nieuwe concepten in een arrangement bijeen worden gebracht.

Maar dat is niet het probleem van Dosse. Hij wil vooral eerherstel voor Guattari. Daarin volgt hij Deleuze, die bij zijn boek Qu'est-ce que la philosophie? voor zijn vriend het co-auteurschap opeiste. Deleuze was nu eenmaal de begaafde filosoof, de man die niet alleen wilde schrijven maar die daar ook enorm in slaagde. De perfecte pedagoog die mensen trok die niets van hem begrepen maar keer op keer naar zijn colleges kwamen en daarom misschien toch belangrijke zaken begrepen, betreffende de stem, het agencement, de courant d'air. Guattari kon daarbij alleen maar verbleken. Hij wilde graag schrijven maar was daartoe op eigen kracht nauwelijks in staat. Hij voerde wel gesprekken met Deleuze, bood hem met zijn psychiatrische werk en zijn groepen wel een omgeving aan, en bracht  begrippen in, met name de wensmachines, maar Deleuze moest die omzetten in filosofisch bruikbare instrumenten.

Denkend aan Heidegger denk je al gauw aan de dood, de eindigheid. De filosofie van Deleuze en Guattari volgt Spinoza in zijn opvatting van de dood als een gebeurtenis van buitenaf. Tot het einde, in elk geval tot de tijd waarin het lichaam en de geest gaan haperen, blijven D&G trouw aan hun vitalisme, dat van Spinoza en Bergson. Dosse houdt ook lang vol. Maar de inspanningen eisen hun tol. Guattari werd depressief, nadat hij het territorium van La Borde moest opgeven. Deleuze kreeg fysiek ongemak. Dosse raakt langzaam in de ban van de nabijheid van de dood. Steeds vaker beschrijft hij gebeurtenissen waarbij D&G er niet meer zijn, of alleen schriftelijk, als oeuvre.

Misschien moet je de dood zien als proefsteen. Is het mogelijk om het leven, de levens van Deleuze en Guattari, anders te zien dan als stoïcijnse ars moriendi? De sleutel tot deze andere filosofie ligt wellicht in de Stoa, met name de vroege, Griekse Stoa (Foucault had iets meer met de late, Romeinse Stoa). Het gaat erom, alles wat zich afspeelt te zien als noodzakelijk. Daarin bestaat de vrijheid van de mens. Dit is in wezen geen tragisch inzicht, omdat de mens en de wereld niet ten onder gaan. Pas later komen de tragische accenten boven, met de door Nero afgedwongen zelfmoord van Seneca bijvoorbeeld.

Dosse heeft voor mij een aantal mythes ontkracht. Onder andere de mythe dat Deleuze boos op Foucault werd omdat die vanaf Le souci de soi weer teruggekeerd zou zijn naar een filosofie van het subject, terwijl Deleuze zelf slechts van subjectivering wilde spreken. Dosse gaat tamelijk uitvoerig in op de relatie tussen Deleuze en Foucault, vooral aan de hand van incidenten en documenten. Wat blijft hangen is zeker geen ruzie of verwijdering.

Wel waren er politieke geschilpunten in de jaren '70 die hun relatie vertroebelden. Deleuze koos onvoorwaardelijk partij voor de Palestijnen in het conflict met Israel, nam niet uitdrukkelijk afstand van de RAF in de zaak rond hun advocaat Klaus Croissant en onderhield nauwe contacten met de regering Mitterand. Foucault was in al die kwesties kritischer.

Daarnaast en later ontstond er een filosofische clash rond Foucaults Histoire de la sexualité. Foucault omarmde in deel I de notie genot en sprak zich uit tegen het verlangen, en nam daardoor afstand van het spinozisme van Deleuze, waar genot werd gezien als obstakel in het zelfbehoud, de conatus. Daarnaast begreep Deleuze niet waarom de notie waarheid bij Foucault weer opdook. Hier lijkt het erop dat hij Foucault inderdaad, naar wat ik ergens - bij Badiou? - gelezen had, verwijt terug te keren naar het subject, het subject opgevat als waarheidsspreken, véridiction. Hier lijkt volgens Dosse toch eerder sprake van een misverstand, wat Deleuze ook zal inzien. Beide denkers onderscheiden spreken van zien, en kennen aan geen van beide domeinen een privilege toe in hun betrekking tot de waarheid. En passant kunnen we constateren hoe weinig deze 'postmodern' geachte denkers op hebben met het relativisme, iets wat maar moeilijk doordringt tot de critici, die daarmee dus kiezen voor een verhaal, een véridiction, die in zichzelf besloten moet blijven.

De politieke en filosofische meningsverschillen blijven hangen, en maken duidelijk hoe anders Deleuze en Foucault de filosofiegeschiedenis bezien, zelfs al, of vooral wanneer zij teruggrijpen op dezelfde stromingen. Deleuze de vroege, ontologische en humoristische stoa, Foucault de late, moralistische en imperiale stoa. Deleuze bij Nietzsche de wil tot macht, Foucault de genealogie van de moraal, etc.

Dit alles roept de vraag op of Dosse zelf stelling neemt in de verwarrende controverses rond Deleuze en Foucault. Hij behandelt deze maar relatief kort, zijn echte interesse ligt bij Guattari en de biografie, minder bij de filosofische uitdieping. Des te opmerkelijker is dat Dosse Deleuze primair ziet als voortzetter van Foucault. Hoe kan dat, gezien hun verschillende opvatting van subjectivering en subjectiviteit? De relatie ligt in hun gedeelde opvatting van de 'gebeurtenis', het evenement. De gebeurtenis waarnaar Dosse verwijst is de afnemende identificatie van het wettelijke subject met de persoon. Daarmee vervalt ook de noodzaak tot insluiting en disciplinering. Met andere woorden, de subjectivering neemt nu de vorm aan van biopouvoir, een vorm van controle waarbij het onbelangrijk wordt om binnen en buiten te onderscheiden.

Het lijkt nu alsof Dosse zegt: had Foucault deze gebeurtenis langer meegemaakt, dan zou hij opgeschoven zijn in de richting van Deleuze. En andersom: door de biopouvoir op te vatten als een gebeurtenis valt ze praktisch samen met het anti-individuele en anti-morele vitalisme van Deleuze. Als het leven overal is, en de macht ook, dan worden begrippen als 'zorg voor zichzelf' overbodig. We betreden een nieuw tijdperk dat vraagt om een nieuwe filosofie, en die zal ongetwijfeld spinozistisch zijn, wat Deleuze en Dosse betreft.

Er zit misschien nog een derrideaans addertje onder het gras. Want we herkennen hier duidelijk de omtrekken van een erfenis, een nalatenschap die je moeilijk anders kunt opvatten dan als een 'zorg voor de dood'. Agamben lijkt die thematiek weer op te pakken met zijn essay over de laatste tekst van Deleuze, L'immanence: une vie... Hij ziet het als diens testament, dat vraagt om een zorgvuldige lezing. Om te beginnen van de leestekens in de titel, de dubbele punt en de drie punten.

Ik ga voorbij aan de meeste opmerkingen en conclusies van Agamben, maar constateer dat hij net als Dosse Deleuze en Foucault wil samenbrengen rond de noties biopouvoir en immanentie. Kunnen we ons een niet-individueel leven voorstellen, een leven dat geen subject is, en zozeer in zichzelf besloten is dat het geen (nefaste) transcendentie meer voortbrengt? Ja, zegt Agamben, wanneer we meer vat krijgen op de conatus bij Spinoza, en het leven kunnen opvatten als iets dat al vanuit zichzelf in zichzelf besloten ligt. Niet als in- en uitsluitende identiteit, maar als verlangen en als worden. Lukt dat, dan kunnen we ook de vreselijke biopouvoir opvatten als immanentie en zelfs als gelukzaligheid, als acquiescentia in se ipso, zelftevredenheid.

Dit klinkt als een horrorscenario. Maar het maakt wel duidelijk dat we Deleuze tekort doen als we hem alleen maar lezen als gelukkige schizo tegenover de controlesamenleving. We moeten zijn teksten goed lezen, het zijn testamenten waarvan wij de uitvoerders zijn, en waarmee wij op onze beurt ons bestaan in stand kunnen houden over de grenzen van ons individuele leven heen. Kunnen we ook de dubbelbiografie van Dosse zo lezen? Meestal wel, ben ik geneigd te zeggen, alleen al vanwege de verhouding tot Guattari. Wanneer we depressief voor de tv zitten en onszelf storten in een relatie met een jonge vrouw die ons tiranniseert en onze portemonnee leegzuigt, bevinden we ons nog steeds op een of andere manier in de gelukzaligheid, de acquiescentia.

Soms ook wringt het, wanneer we Dosse lezen. Hij beschouwt Deleuze zonder enige reserve als een heilige en een wijze. Hij verdedigt hem tegen al zijn critici, vooral Badiou. Dosse laat niets achterwege om van Deleuze toch weer een individu te maken, een boom met onbereikbare vruchten. Dosse citeert Yves Mabin die in 1996 schrijft (u ziet, ik lees de Engelse vertaling, wat in dit geval wel past bij de afkomst van Mabin):
One evening, I was dining with the two of them [Gilles and Fanny]. I told Gilles that for me, coming as I do from Brittany, someone who gives something essential to his friends that no one since the beginning of time had ever given was a saint. And that as a result, I thought quite seriously that he was a saint. Gilles smiled, one of those smiles mixing amusement and emotion. Then in one of the most beautiful gestures of love I've ever seen, Fanny stretched out her arms, took Gilles' hands in her long, slender fingers, and said to him, "Yves is right, I also think dat you're a saint." (Dosse, eng. vert., p.500)
Hoe dit citaat te lezen zonder geloof in subjectiviteit, dat lijkt me geen gemakkelijke taak, niettemin wel zo u wil een heilige taak.

Afbeeldingsresultaat voor deleuze guattari




Geen opmerkingen:

Een reactie posten