Om de toekomst voor te bereiden moeten we loskomen van het hier en nu. Dat zag ik in mijn vorige blog, over de film It was just an accident van Jafar Panahi. Te voorzien is dat alle burgers van Iran die nu te lijden hebben onder de Revolutionaire Garde, en daarbovenop ook nog van de Amerikaanse bommen, wraak willen nemen op iedereen die hen nu dwarszit. Dan loopt de geschiedenis vast in de geweldscyclus. De Griekse tragedies leren ons dat we tot inzicht kunnen komen over onze eigen rol in dat geweld, kijk maar naar Oedipous. En de komedie leert ons dat we kunnen ontsnappen aan het loodzware gewicht van de geschiedenis door een andere voorstelling van zaken. Soms ontstaan er openingen, hoe klein ook, waardoor we kunnen ontsnappen naar de toekomst.
Ik volg dit spoor en er dienen zich meteen - bijna los van mijn beslissingen - twee aanleidingen aan om te kijken naar oorlog en de tijd erna. Ik lees nu over de Weimarrepubliek het boek van historicus Patrick Dassen (vroeger klasgenoot van een goede vriend), en gisteren zag ik eindelijk The Odyssey, de veelbesproken film van Nolan. Eerst Dassen. Een ondermijnende rol in de Weimarrepubliek speelden de vrijkorpsen (Freikorpse), paramilitaire eenheden die mede op initiatief van Paul van Hindenburg in 1918 waren opgericht. Ze stonden buiten de normale militaire hiërarchie. Als de politiek een beetje chaotisch wordt, zoals na de Eerste Wereldoorlog in Duitsland, zijn die vrijkorpsen handig om opstanden neer te slaan. Veel leden van die vrijkorpsen waren gedemobiliseerde soldaten die geen moeite hadden met geweld. Ze zaten nog zo in die sfeer van geweld dat ze het als normaal ervoeren, en er makkelijk mee doorgingen.
In de periode Weimar zien we meermaals verlies van het geloof in waarden. Dat geldt ook voor deze vrijkorpsen:
'Volgens Hagen Schulze is het begrip 'nihilisme' goed van toepassing op de leden van de vrijkorpsen vanwege de onduidelijkheid van hun denken en hun doelen, en het streven om op revolutionaire wijze af te rekenen met de bestaande orde - zonder duidelijk te weten wat ervoor in de plaats moest komen.' (p.119)
De term nihilisme koppelt Dassen elders aan de kunstbewegingen die in Weimar plotseling ontstaan, zodat we zicht krijgen op een samenhangend complex. Zeker als in de financiële crisis van 1923 hyperinflatie optreedt, gaan waarden die voor vast werden gezien schuiven. Paradoxaal genoeg betekent dit niet dat mensen geen belang meer hechtten aan geld en rijkdom. Integendeel, als de vaste waarden gaan schuiven kunnen alle waarden in hun tegendeel verkeren, en wordt alles wat eerder slecht of waardeloos was nu ineens essentieel. Sebastian Haffner spreekt van een 'carnavalsgeest' tijdens de Ruhrcrisis. De Duitsers gaan allemaal dansen, al is het op de vulkaan.
Wat we als nihilisme zien is dus feitelijk iets anders, het is niet het verlies van waarden maar het verlies van de stabiliteit van deze waarden. Dit verklaart wellicht de dominantie van rechtse ideologieën, waaronder vooral nationalisme en antisemitisme. Ze drukken het verlangen uit naar herstel van stabiliteit, ook als dat verlangen imaginair blijft.
Dassen klampt zich in deze situatie vast aan socioloog Max Weber, met zijn kritiek op bureaucratisering en zijn pleidooi voor een charismatische leider die verantwoordelijkheid neemt voor de democratische instituties. De politicus Gustav Stresemann belichaamt dit ideaal perfect. Als de Belgen en Fransen het Ruhrgebied bezetten verzetten de Duitsers zich hevig, en dreigen ze het internationale krediet te verspelen. Dan komt Stresemann met een toespraak waarin hij oproept tot verantwoordelijkheid, en weet hij iedereen te overtuigen. Als minister van Buitenlandse Zaken en leider van de Deutsche Volkspartei laat hij Duitsland tot zijn dood in 1929 een middenkoers varen waarbij de extremen minder dominant zijn.
Ik houd ervan om boeken te bespreken als ik ze nog niet uit heb. Dat past wel bij een benadering waarbij je naar een periode kijkt waarin alles nog open lijkt. Op p.239 verwoordt Dassen de dubbelheid van de 'gouden jaren' van Weimar. Aan de ene kant is het, met Stresemann, een periode van stabiliteit en bloei. 'De Weimarrepubliek had beslist ook kansen en potentie', zegt Dassen. Aan de andere kans waren er 'onderhuids ook in deze jaren talloze duistere krachten aan het werk die die stabiliteit ondergroeven, zoals nationaalsocialisten, communisten en legerofficieren'. Het kon nog verschillende kanten op, en daarom 'doet een al te somber en deterministisch beeld de republiek geen recht'.
Als historicus wil Dassen naar de Weimarrepubliek kijken op een andere manier dan gebruikelijk. Meestal zien we Weimar als voorgeschiedenis van de Tweede Wereldoorlog. Daardoor zien we niet meer hoe het ook anders had kunnen lopen. Met andere woorden, we moeten in de geschiedenis de contingentie weer in beeld brengen. Een geestverwant van Dassen las ik een paar jaar geleden over de aanloop naar de Eerste Wereldoorlog (zie deze blog). Historicus Christopher Clark wil af van de idee dat we een schuldige kunnen aanwijzen. We moeten het meer zien als een tragedie, alle landen waren schuldig en daarom was ook eigenlijk niemand schuldig. Als de deelnemers meer oog hadden gehad voor elkaars eigenaardige manier van communiceren bijvoorbeeld, waren ze misschien niet overgegaan tot oorlogsverklaring.
Als we het hebben over contingentie, kansen en potentie, volstaat de gebruikelijke benadering van geschiedwetenschappers niet. Daar heerst het ideaal van verklaringen door oorzaken en gevolgen, en dan zit je automatisch in een deterministisch wereldbeeld. Dat kan ook weer niet de bedoeling zijn, want je moet ook rekening houden met de vrijheid en met waarden. Daarom past het kantianisme zo goed bij de geschiedwetenschap. Je houdt je zoveel mogelijk aan de feiten, maar vroeg of laat injecteer je die met een dosis waardenbesef en doelgerichtheid.
Misschien kun je daar maar beter expliciet over zijn. Daarom bevalt me de geschiedenisfilosofie van Walter Benjamin, die leefde in de Weimarperiode, en aan wie Dassen helaas geen aandacht besteedt. Aan de ene kant volgt geschiedenis de chronologie, waarin zaken rationeel kunnen worden begrepen, en waarin gebeurtenissen zich volgens rationele patronen ontplooien. Aan de andere kant is geschiedenis ook altijd 'messiaans', er doen zich momenten voor waarin die ontplooiing wordt stilgelegd en er plaats komt voor iets anders. Die momenten doen zich van buitenaf voor, je krijgt ze vanuit het rationele verloop niet in zicht. Tegenover chronos staat kairos.
Met de geschiedenisfilosofie van Benjamin kun je recht doen aan de ambitie van Dassen om de geschiedenis niet te interpreteren vanuit de doelgerichte rationaliteit, maar je hoeft niet terug te vallen op mythische elementen zoals heldenverering, het optreden van talenten zoals Stresemann. Niet dat ik zulke talenten niet bewonder, ik laat me graag overtuigen. Maar misschien is de basis van de charismatische leiders iets te ambivalent om te dienen als basis voor een normatieve politiek. Immers, de vrijkorpsen bestonden ook dankzij de trouw aan lokale charismatische leiders, de duistere krachten dreven evengoed op charismatische leiders als de nationale politiek van middenpartijen.
Blijft evengoed staan dat we ook met Benjamin blijven zitten met dubbelheid, die tussen chronos en kairos. Nu is er bij de oude Grieken nog een derde woord voor tijd, de aioon, die terugkomt in een van onze woorden voor tijdperk, de eon of aeon. In de geologie is het de term voor een zeer lange tijdsperiode. Het Oud-Griekse woord aioon kun je vertalen met tijd, maar ook met wereld of eeuwigheid. We komen de term aioon tegen bij filosoof Agamben, die wijst op de Indo-Europese wortel *ai-w, wat vitale kracht of levenskracht betekent. Er is iets voor te zeggen om Agambens ethiek te interpreteren vanuit deze aioon. In zijn bekende boek Homo sacer onderscheidt hij het betekenisvolle leven (bios) van het leven zonder meer, het 'naakte' leven (zoè). Misschien moeten we de samenhang tussen beide termen opvatten als aioon, de levenskracht waarmee je het een kunt transformeren in het ander (zie ook deze blog).
Ik noemde eerder al de filosoof Severino. Ook bij hem komen we aioon tegen, in zijn boek The Essence of Nihilism (zie hier mijn blog). Laten we ze even doornemen.
1.
In hoofdstuk 1 voert Severino zijn zijnsfilosofie terug op uitspraken van Parmenides. In fragment 8,20 stelt Parmenides dat iets wat wordt, niet het zijn kan zijn, en als het iets zal worden, het ook niet kan zijn. Het zijn is er of het is er niet, zo simpel is het, er is geen tussenweg, en omdat het er niet niet kan zijn, is het er dus. Severino illustreert dit met de bekende passage uit de dialoog van Plato (Parmenides), waar Socrates bekent dat hij het moeilijk vindt dat sommige dingen te onbetekenend zijn om te denken dat we ze als zodanig kunnen kennen, dat we er de idee van kunnen achterhalen:
'The young Socrates deserved reproach because he thought there could be no ideas of insignificant things (the hairs of one's beard): which means, for us, that any thing, no matter how insignificant, if a thing, is eternal. This sheet of paper, this pen, this room, these colors and sounds and shades and shadows of things and of the mind are eternal - "eternal" in the essential sense attributed by the Greeks to aion: "that it is" (without limitations).
We hebben Severino gevolgd in deze uitleg die grotendeels, zo niet helemaal, overeenkomt met de uitleg die Agamben geeft aan chora van Plato (zie hier). Dingen kunnen nog zo onbetekenend zijn, dat ze er zijn is voldoende reden om ze toe te laten tot de waarneming en het denken.
2.
In hoofdstuk 2 gaat Severino in op de essentie van de aarde en de mens. Hier raken we het dichtst aan het probleem van contingentie. Als je zegt dat iets er ook niet kan zijn, zit je in de metafysica. In feite is dit al het begin van de technè, de kunst of techniek waarbij een ding wordt gezien als iets wat er ook eventueel niet is. Dit is in strijd met de zijnsfilosofie van Parmenides, waarin wat er is er ook echt is. Plato gaat hier feitelijk al de fout in, omdat hij zegt dat de ziel onsterfelijk is. Dat de ziel onsterfelijk is, klopt, maar dat geldt evenzeer voor het lichaam, en voor alle dingen waaraan we zijn toekennen. Hier valt de term aioon opnieuw:
'The soul cannot exist without the body, just as it cannot exist without any being, for the destiny of all being is to exist. ("Aeternus" is a syncope of "aeviternus," and "aevum" is aion, "always being," the impossibility of not being. But this impossibility must refer to the totality of Being, not to a privileged being - which means that the Greek aion is the very expression of metaphysical nihilism.)'
Het is hier echt spannend, omdat aion zowel de term is voor de eeuwigheid van het zijn als voor de eeuwigheid van een bepaald zijnde, of dit nu het lichaam, de ziel of iets anders is. Hier zien we de breuk met Plato zich het scherpst voltrekken, en waar we deze wellicht het minst zouden verwachten. De eeuwigheid van de ziel is aioon, maar juist daardoor de miskenning van al die andere zaken die evengoed aioon zijn.
We stuiten hier op de kwestie van het privilege, die ik in ander verband bij Agamben al heb gesignaleerd (zie hier). Alle dingen zijn even waardevol, maar sommige kennelijk meer dan andere. Socrates wordt erdoor in verlegenheid gebracht. Agamben kan deze situatie waarderen als voorbeeld van het 'komische sublieme' (zie hier). De zogenaamd niet waardevolle zaken zijn in strijd met de idee, maar doordat we ze grappig vinden kunnen we ze alsnog waarderen. Maar helaas, niet alle dingen zijn even grappig. Ook vanuit het komische sublieme, vanuit de komedie als startpunt van de ethiek, kunnen we niet het zijn in zijn totaliteit affirmeren.
Ik ben me ervan bewust dat we met deze filosofische overwegingen op afstand dreigen te raken van de geschiedenis. We willen graag met onze filosofie een boek als dat van Dassen beter begrijpen, al is het maar een schijnbaar onbetekenend detail. Zoals de vrijkorpsen. De soldaten die gewend zijn aan de modder, de baardharen, de herrie, het bloed. Ze spelen een permanente, merendeels duistere rol in de Weimarrepubliek.
Voor mij op het gymnasium was mijn geschiedenisleraar Van der Werf een charismatisch leider. Hij maakte ons duidelijk hoe belangrijk het voor gewone jongens was om ineens een uniform en een wapen te hebben. Ze telden mee. Wat voor ons duistere krachten zijn, die de Weimarrepubliek bedreigen en de rechtsextreme ideologie verspreiden, was voor deze jongens de overgang naar het licht, de glans.
Ik ben me ervan bewust dat ik het boek van Dassen vooral lees omdat hij op het andere gymnasium van Heerlen in de klas zat van een van mijn beste vrienden. Door zijn boek te lezen delen we enigszins in de glorie van zijn boek. Mijn vriend Pieter zag liefst dat Patrick Dassen met ons meeging op onze geplande trip naar Weimar, maar ik schat in dat deze trip voor deze wetenschapper te onbetekenend is, we durven hem niet eens mee te vragen.
Er treedt dus een bepaald soort woekering op van charismatische leiders. Ook de onbetekenende leraartjes kunnen voor ons charismatisch worden. We voelen ons gezien, en dreigen daardoor meteen te vergeten dat al die onbetekenende leraartjes en leerlingen er evengoed toe doen. Ik heb een sterk vermoeden dat mijn klasgenoten van de lagere school merendeels PVV stemmen, zeker de klasgenoten die woonden in Beersdal, de wijk van Heerlen waar de PVV bij de laatste verkiezingen de grootste aanhang had. Stemmen is meedoen, je gezien voelen, onder invloed van een (beetje) charismatisch geachte leider.
Het probleem van deze politisering is dat we niet goed weten hoe we nog terug kunnen. Eenmaal gepolitiseerd volgt uit het een het ander. We zijn iets, we zijn iemand, en daardoor kunnen we ons niet meer spontaan verbinden met alles en iedereen.
Voor mijn beschouwing over The Odyssey heb ik een nieuwe blog nodig, maar ook daar gaat het weer over jongens die samen naar de oorlog zijn gegaan, iemand zijn geworden met een aansprekende leider, en voor wie het erg moeilijk is om weer naar huis te gaan. We blijven dus nog even nadenken over deze situatie, die zo cruciaal is voor de actuele kwesties van oorlog en vrede.