zondag 10 oktober 2021

Waartoe het sterven van de cultuur kan leiden - Alte Meister van Thomas Bernhard

Er klinkt overal zo veel muziek dat onze smaak zo goed als dood is. Nu had ik al geen smaak, dus dat scheelt. Ook nu staat er weer muziek op. Geen idee wat het is, NPO 4 concerten, iets met een klarinet en strijkers. Het moet lang geleden begonnen zijn, dat afsterven van de smaak. Beethoven misschien. Beethoven was vroeger mijn idool. Maar nu zie ik ook wel in, zelfs met mijn smaakgebrek, dat Beethoven probeerde op een geforceerde manier iets in leven te houden, waarmee hij eigenlijk het tegendeel bereikte. Tatata táááá.

Thomas Bernhard lijkt in zijn laatste roman Alte Meister (1985) iets soortgelijks te doen. Hij laat een oude man eindeloze monologen houden waarin hij tegen de cultuur tekeer gaat zoals we van Bernhard gewend zijn. We weten inmiddels, van Holzfällen, dat achter de haat hoogstwaarschijnlijk veel liefde schuilgaat. Alleen is nog niet helder waar de liefde van de oude man bij uitkomt. Het lijkt toch zoiets als een Alle Menschen werden Brüder te zijn. Novalis, die dit soort ideeën had, heeft deze oude man nooit teleurgesteld. Maar dit soort liefde is te dun om echt te overleven. En dat is wat deze man nodig had, een middel om te overleven.

De oude man heet Richter, en zit elke dag op zijn bankje in de museumzaal, waar hij kan gaan zitten kijken naar het schilderij 'Man met witte baard' van Tintoretto. Richter is inderdaad een rechter, hij heeft zijn oordeel klaar over alles en iedereen. Opnieuw weer die Oostenrijkers, de katholieken. Zelfs als ze hun soep lepelen uit Hollandse kommen is het nog katholieke soep. Misschien zoekt Richter, denk ik al tamelijk snel in deze roman, een toegang tot de wereld, of het leven, via een soort liefde die heel speciaal is. Zodat hij zelfs kan openstaan voor die katholieke soeplepelaars.

Misschien moet je heel oud zijn om tot zo'n soort liefde te komen. Hij denkt weg te komen door te sterven, eerder dan zijn vrouw. Maar dat gebeurt niet. Hij blijft doorleven. Dit is al heel anders dan in veel andere romans van Bernhard, waar de zelfmoord zowat het startpunt is. Richter is in staat om te overleven, zegt hij, door Schopenhauer te lezen. Hij gebruikt Schopenhauer, toch de grootste pessimist, en dus eigenlijk misbruikt hij Schopenhauer, om te overleven. Hij vertrouwt de mensen niet die zeggen dat ze graag dood willen, er zit blijkbaar een drang in ons die sterker is, zelfs als die niet helemaal oprecht is.

Niet Richter maar zijn vrouw overlijdt. Dan is het leven pas goed waardeloos geworden. Zijn vrouw was degene die hem in leven hield. Hij was een betweter en onderwijzend type, maar als zijn vrouw iets niet zag zitten, of niet begreep, dan hoefde het voor Richter ook niet meer. Exit Schleiermacher, zijn vrouw zag er niets in, of begreep hem niet.

Eigenlijk, zegt Richter, geldt dat voor al die Alte Meister. Ze houden je niet in leven. Zelfs Rembrandt niet, en al helemaal die Oostenrijkers niet. En zelfs Tintoretto niet? Nee, Richter komt naar het museum, zegt hij, omdat het er lekker koel is, de juiste temperatuur, en om met zijn gesprekspartner af te spreken en hem te verleiden om met hem naar een komedie te gaan, Der gebrochene Krug. De roman eindigt met het oordeel dat het een vreselijke opvoering was. Maar we weten inmiddels dat het leven zonder anderen niet kan worden geleefd. Je hebt anderen nodig, en liefst een beetje weinig anderen.

En zo lijkt Bernhard bij een soort Aristophanes uit te komen, de komediedichter van de mens die in twee helften is gesneden en alleen kan overleven als hij zijn wederhelft vindt. Of liever: als hij op zoek blijft, als hij blijft verlangen naar die wederhelft.

Het hoogst haalbare is dat je openstaat voor wat het leven je te bieden heeft. Bijvoorbeeld de dood. Laat komen wat komt. Daarvoor hebben we oude mannen nodig, geen oude meesters, maar personages. Personages bovendien die we makkelijk aan de kant kunnen schuiven. Wie denken ze wel dat ze zijn? Komedianten!

En zo is de dood van de smaak misschien toch nog ergens goed voor. We keren ons af van de oude meesters en zoeken contact met die ene met wie we toevallig hebben afgesproken, of die toevallig al thuis met ons wil wonen.

rood|noot: man met witte baard (ca 1570) - tintoretto (1518-1594)