maandag 25 december 2023

Thomas Bernhard over vriendschap

Natuurlijk, we zijn meer dan een soort. En om onszelf dat te bewijzen zullen we aan de bak moeten. We moeten, zoals ik in vorige blog suggereerde, dichter worden. Maar zo simpel is dat niet, als je zoals ik daarvoor het talent niet hebt. Mijn vader had niet echt een goede smaak, dus ik kan mijn smaakgebrek nog enigszins wijten aan mijn opvoeding. Met mijn viltstiften kleurde ik een schilderij van Van Gogh na, dat nog steeds ergens tussen mijn foto's geplakt staat. Ik klamp me bij gebrek aan beter maar vast aan de grote namen.

Het is wel nodig dat je je vriendschappen onderhoudt. Ik heb je verteld dat ik me vorige week liet meevoeren door Cor, mijn stagebegeleider van de jaren tachtig bij vredesbeweging Pax Christi die de kunst beheerst om mijn blogs te lezen en zorgvuldig zijn complimenten te doseren. In mijn jeugd had ik vriend Leo, die wel over smaak beschikte en me meevoerde naar de boekhandel in Aken. Hij was toen eigenlijk al dichter, en is dat nog steeds. Wat een voorrecht om te kunnen terugkijken naar het verre verleden en nog gewoon met deze vrienden te kunnen praten!

Bijna zou ik denken dat mijn toekomst in het parasitisme ligt, het teren op de smaak van mijn vrienden, die heel goed zonder mij kunnen, en die ik opzadel met een vaag soort filosofie waarmee ik mijn smaakgebrek probeer te compenseren. Bijna had ik het boek over het parasitisme van Michel Serres gekocht, ook al omdat ik me lange tijd verwant voelde met de vertaler ervan, René ten Bos. Maar dat zou toch teveel eer zijn, als ik mezelf als parasiet zou zien zou ik me toch weer zoiets als een functie toeschrijven, iemand die zijn gastheer leegzuigt om er zelf beter van te worden. Zoveel last hebben die gastheren ook weer niet van mij, de formule waarbij ik in vorige blog met Themerson uitkwam was meer het 'onschadelijke enthousiasme', het is altijd weer leuk om een boek te lezen en erover te schrijven.

Een prettige manier om dit alles te combineren is het lezen van Thomas Bernhard. Met zijn vele herhalingen bereikt hij een muzikaal effect. Het feit alleen al dat hij net als ik in Heerlen geboren is vergemakkelijkt de identificatie, die ik vervolgens weer ongenadig tegen het licht kan houden omdat Bernhard zelf die identificatie keer op keer doorbreekt. Hij had de moed om zich in zijn eentje tegen een heel land te keren, een land waarvan hij toch ook hield, of juist omdat hij ervan hield kon hij zich ertegen keren. Dat was zijn manier om te ontsnappen aan de soort.

De vriendschap verschijnt bij Bernhard als een soort toetssteen, of misschien wel meer. De vriendschap maakt zijn eenzaamheid draaglijk, zo lijkt het, maar aan de andere kant maakt het hem ook weer eenzamer doordat hij al schrijvend ontdekt dat die vriendschap eindig en onhoudbaar is. Afgelopen dagen las ik Wittgensteins neffe - Eine Freundschaft (1982). Dat jaartal alleen al is voor mij betekenisvol. Toen Bernhard het publiceerde was ik twintig, al een paar jaar bezig met theologie en stond ik op het punt om me in de filosofie te storten. Later las ik deze korte roman, en afgelopen week dus weer. Wat me destijds aansprak en is blijven hangen is een scène waarin Bernhard samen met Paul (het neefje, oomzegger, van de beroemde filosoof) op zoek gaat naar een krant en daarvoor enorme afstanden aflegt. Tevergeefs, ze vinden die krant niet. Maar toch is het die zoektocht die bij mij is blijven hangen, alsof een bepaalde krant belangrijker is dan wat ook, en dat je pas veel later beseft dat het die zoektocht was, met die vriend, die de kern vormt van je leven.

Er staat veel meer in die roman natuurlijk. Pas zojuist kwam ik er al googelend achter dat die titel verband houdt met de beroemde roman van Diderot, Le neveu de Rameau die geschreven is rond 1770. Ook Bernhard lijkt dus een parasiet, en is het denkelijk al evenmin, al moet dat nog wel even blijken als we beide boeken tegen het licht houden. Als er iemand toch parasiet moet zijn, dan zou het eerder die ander zijn, de neef van Rameau en de neef van Wittgenstein. Het zijn tamelijk cynische personen die houden van drank, comfort, vrouwen, en dat verkiezen boven de hogere cultuur. Het staat natuurlijk mooi als je je kunt afficheren als neefje van, en in die zin zijn het parasieten. Maar de ik-personen doen hun best om uit hun gesprekken met die ander zoveel mogelijk te halen. Daarmee bewijzen ze punt één dat de zogenaamde parasiet in werkelijkheid veel te bieden heeft, en punt twee dat ze hoop symboliseren, hoop voor de menselijke soort die aan smakeloosheid en inhoudsloosheid tenonder lijkt te gaan, maar juist daardoor in staat is tot morele en culturele verheffing.

Al gauw kon ik via Diderot een verbinding leggen met een boek van Agamben, De mens zonder inhoud (zie hier mijn blog daarover), dat dateert van alweer 1970, dus twaalf jaar voor het boek van Bernhard. Ik was toen acht jaar, zo ongeveer de leeftijd waarop ik die vilstiftkopie van Van Gogh maakte en begon met blokfluit spelen. Het was ook ongeveer de leeftijd waarop mijn vriendschap begon met Hans, met wie ik later lange gesprekken voerde over Beethoven en Mozart (en die ik nog steeds af en toe zie), gesprekken die ook de ik-persoon met de neef van Wittgenstein had. Er liggen dus tal van verbindingen, in mijn eigen leven maar ook met boeken, muziek en filosofie, en ook met sprongen over eeuwen heen, wat de eenzaamheid zo goed als oplost, zou je zeggen.

Laat die eenzaamheid een onderschat hoofdprobleem van deze tijd zijn, las ik in een krantenartikel van Tommy Wieringa (waarvoor ik anders dan Bernhard en Paul niet vele honderden kilometers heb hoeven rijden). Eenzaamheid maakt je vatbaar voor rechtse en populistische politiek, en links heeft misschien wel deels de slag gemist bij de recente verkiezingen doordat het weigert oude woorden als solidariteit nog in de mond te nemen. Maar Wieringa zal toch ook wel beseffen dat een schrijver alleen al door zijn talent, maar ook door zijn werk, zich onderscheidt van de menselijke soort, en alleen al daardoor wel allerlei wijze dingen kan roepen, maar zijn publiek daarmee niet kan bereiken. Dat publiek zal al gauw zeggen: mooi gezegd, Wieringa, helaas beschikken wij niet over jouw wijsheid en talent, en daarom keren wij ons maar tegen dat soort kapsonelijers zoals jij en stemmen we Wilders!

Met andere woorden, schrijvers met smaak en talent helpen de mensheid helaas niet echt vooruit, en daarom blijven we aangewezen op de oude krachten van de tragedie (de eenling gaat tenonder) en de komedie (de eenling is niet beter dan de rest van de mensheid). Deze genres waren niet bedoeld om ons iets te leren, maar om ons te amuseren. Je kon ermee huilen en lachen, en daardoor wellicht een soort evenwicht bereiken tussen huilen en lachen, een minimum aan gelijkmoedigheid.

Laat ik mijn drie boeken eens proberen samen te vatten met een hoofdlijn die ze met elkaar verbindt en waarmee ze zich tegelijk onderscheiden. Diderot schreef een satire, een bont mengsel van verschillende overtuigingen die zich niet op één lijn laten brengen, en kunnen we dus lezen als een directe provocatie van mijn poging om dat wel te doen. Agamben schreef een diagnose van de menselijke soort die zich onderscheidt van andere diersoorten doordat ze niet beschikt over een bestemming of roeping, en moet daarmee in het reine zien te komen. Een soort therapie dus. Bernhard schreef iets dat bedoeld was als verzameling en ordening van aantekeningen als wat overblijft van zijn vriendschap met Paul, als voorbereiding voor zijn begrafenisrede, maar wat uitpakt als een requiem en bekentenis van zijn onvermogen (om te leven met de levende, stervende Paul). Drie diverse aspecten dus, drie toch weer heel verschillende uitwerkingen van datzelfde thema vriendschap, die voor mij eigenlijk ook wel weer alle drie herkenbaar zijn, ook rond mijn genoemde vriendschappen met dichter Leo, therapeut Hans en geestelijk verzorger Cor (die de naam Bernhard noemde, waardoor ik op het idee kwam om Wittgensteins Neffe te herlezen).

Genoeg achtergrond, lijkt me, om nog iets treffends te zeggen over mijn leeservaring van de korte roman van Bernhard. Want dat is hoe mijn blogs in elkaar zitten, een ding proberen te zeggen over mijn leeservaring, iets wat ik tijdens het lezen niet doorhad, en bij nader inzien dus ook niet echt tot mijn leeservaring behoort, eerder het neerzetten van een licht waarmee ik de donkerheid van die leeservaring achteraf kan belichten en waarmee ik mijn leeservaring dus eerder uitwis. Het lijkt op de dubbelheid van het kerstverhaal. Goed, er wordt een kind geboren, goed, het is de redder van de mensheid die tot ondergang gedoemd was, goed, het is God zelf die daar ligt, het Licht in de duisternis. Maar die God ligt in een voerbak, van hout, het hout dat al vooruitwijst naar het kruis, niet echt een lonkend perspectief dus, en nauwelijks te vatten met de genres (literatuursoorten) tragedie en komedie, huilen noch lachen zijn hier gepaste reacties.

Misschien heb ik Wittgensteins Neffe gelezen als de celebratie van een soort complementariteit. Als je nadenkt over vriendschap neig je tot twee zaken die ons lange tijd in de ban hielden maar bij nader inzien nergens toe leiden. Aan de ene kant is het de gemeenschappelijke identiteit, het deel uitmaken van de menselijke soort, waar ieder zijn plaats en betekenis heeft. Nee, we willen graag ontsnappen aan dat soortdenken en accepteren daarmee al dat we eenzaam kunnen zijn, maar nog liever eenzaam dan anoniem opgaan in de soort. Aan de andere kant hebben we lang geloofd dat we de ander als Ander moeten zien, juist waarin hij van ons verschilt is van betekenis. Deze weg heeft ons bij nader inzien nergens gebracht, omdat we ons daarmee beroven van het comfort waaraan we toch wel gehecht zijn, en dat we in de romans van Diderot en Bernhard juist ontlenen aan die Ander. We kunnen die vrienden eigenlijk helemaal niet missen, omdat we onze eenzaamheid niet aankunnen. Dat moge teleurstellend zijn, we stellen ons inderdaad voortdurend teleur, we zijn niet die nietzscheaanse 'Iemand' die we te zijn hebben, we stellen niets voor.

Daarom zou ik de roman van Bernhard toch geen requiem noemen, zoals het volgens de ik-persoon uiteindelijk geschreven is, het is niet op de eerste plaats gericht aan de nabestaanden als troost, om vrede te hebben met ons verlies. Het is een ode aan de dubbelheid, aan het wonderlijke feit dat zich van de eenzame ene steeds iets of iemand blijft afsplitsen dat erop lijkt en er toch ook weer een antithese mee vormt. Ludwig Wittgenstein de filosoof, Paul Wittgenstein zijn neefje de gestoorde nar, Thomas Bernhard de onbegrepen schrijver, enzovoort. Een ode is het, die op zijn beurt zijn komische dubbelganger afscheidt, de roman waarin alles weer onderuit wordt gehaald, en dan is dit hier de blog over die roman die zijn eigen overbodigheid bezegelt doordat jij, mijn vriend, die roman alsnog leest en - nog waarschijnlijker - niet leest.

Timeline 024: Jean Philippe Rameau And The Beginning Of Music Theory |  Vermont Public


Geen opmerkingen:

Een reactie posten