Kun je te betrokken zijn? Als je naar onze wereld kijkt, kun je nooit betrokken genoeg zijn. We hebben te weinig over voor de oplossing van de grote problemen. En als je er iets aan wil doen, raak je hoe langer hoe meer betrokken. Zoals Hannah Arendt al zei: uit vrijheid kun je een stap zetten, maar bij de stap daarna ben je al niet meer vrij. Daartegenover houden de existentalisten aan de vrijheid vast en is het probleem: hoe kunnen we geëngageerd raken zonder onze vrijheid te verliezen? Sterker nog: vanuit onze vrijheid? Engagement als de essentie van onze vrijheid?
Hoe moeilijk houdbaar deze optie is, is zichtbaar aan de koers van het liberalisme in Nederland. De partij die zich bij ons het meest op het liberalisme laat voorstaan heeft geen zin meer in engagement. Grote problemen worden doorgesluisd naar de populisten, zelfs als de liberalen daardoor zelf riskeren weg te kwijnen. De klimaatverandering wordt alleen erkend als we er niets voor hoeven in te leveren. De vrijheid die overblijft is die van de vermogenden. De vrijheid om te blijven waar ze zijn, te houden wat ze hebben.
Dit verklaart mede waarom ik me aanvankelijk ergerde toen ik Alicja Gescinska te lezen kreeg. Ze werd ineens gebeld door Guy Verhofstadt met de vraag of ze voor de liberalen in het Europees parlement wilde zitten. In Intussen komen mensen om (2019) vertelt ze over de twijfels en haar beslissing om op zijn verzoek in te gaan. Ik ben nog niet zo ver in dit (dunne) boek, maar heb intussen geleerd dat je soms meer geëngageerd bent in een boek wanneer je er nog middenin zit. Misschien is geëngageerd wel die ervaring dat je ergens middenin zit. Je ziet dan dingen die je alweer vergeten bent als je verder bent, of het boek uit hebt. Met name dus de band met de vrijheid, die volgens Arendt aan het begin zit van het proces. Vrijheid is primair de vrijheid om met iets te kunnen beginnen.
Nu is het in dit geval wel lastig om aan te wijzen waar de vrijheid van Gescinska begint. Is het haar beslissing om de politiek in te gaan? Of dat belletje van Verhofstadt? Of bestaat de vrijheid hoofdzakelijk in de filosofie, die ze zo koestert, en die ze wil belichamen temidden van de politiek? Ik zie nog twee andere opties, die zo duidelijk in het vizier komen als je begint met dit boek. De eerste is de omslag, toch het begin van dit boek. Boven de titel 'Intussen komen mensen om' staat de naam van de auteur, eronder de ondertitel 'Over politieke betrokkenheid', en alle letters binnen de foto van Gescinska zelf, opzij kijkend met de handen bedachtzaam gevouwen in haar schoot. Het begin is het portret van Gescinska, de persona. De wereld is haar achtergrond, een paar vage beelden die je niet goed kunt zien. Ze zit er met haar rug naar toe. De impressie van het zelfportret blijft hangen bij het lezen. Bijna nergens gaat het over de wereld, het gaat over Gescinska zelf, haar innerlijke afwegingen, met haar zieke en huilende kinderen bij zich, terwijl ze al door de talkshow wordt gebeld.
Het begin, zouden we kunnen zeggen, is de twijfelende en beslissende persoon. Geheel in de geest van het existentialisme. Pas later komt de wereld in beeld, of wordt de wereld in beeld gebracht. Nu is de wereld nog de vage achtergrond waar je met je rug naar zit. Voor mij is dit wel een schokkend inzicht. Ik dacht dat je geëngageerd wilde raken als er een probleem opdook dat je wilde verhelpen. Hier blijkt het andersom te zijn. Je bent iemand, een portret, en zo kun je in de situatie raken dat je gebeld wordt en aan het werk gaat. En wel in de existentialistische stijl van de filosoof, twijfelend en beslissend.
Ik had nog een tweede optie in petto. Die heeft te maken met de titel, 'Intussen komen mensen om'. Gescinska start haar boek met een gedicht van de geweldige Poolse dichteres Wislawa Szymborska (Nobelprijs). De titel blijkt ontleend aan dit gedicht. Zij het niet helemaal letterlijk. In het gedicht luidt de formulering: 'Intussen kwamen mensen om'. Die verleden tijd klinkt iets afstandelijker en zelfs ironischer. Het gedicht verdient een diepgaande analyse (niet hier, dit is maar een blog), en ik sluit op dit moment niet uit dat Gescinska dat nog gaat doen, verderop in dit boek. Maar nu zitten we aan het begin, en dat heeft al betekenis. Nu we toch zo bezig zijn kunnen we ook ons hoofd enigszins zwenken, en wel naar het begin van het gedicht. De titel luidt 'Kinderen van onze tijd'. Deze wordt meteen hernomen in de eerste regels:
Wij zijn kinderen van onze tijd,
en onze tijd is politiek.
Het is dus de tijd zelf, onze tijd, die het begin is, ons begin, waarvan wij de kinderen zijn. Nu wordt het tricky, want die tijd deugt van geen kanten. Ik denk met name aan het communisme, de tijd waarin Szymborska en de ouders van Gescinska in Polen leefden, en waarvan zij de kinderen waren. Het begin ligt niet voor ons, het ligt ook niet hier en nu, maar achter ons. 'We gaan de politiek in', al dan niet, klopt dus ook niet, want je bent allang in de politiek.
Dit zijn mijn eerste twee gedachten nu ik onder inspiratie van Gescinska opnieuw aan het nadenken ben over de verhouding tussen filosofie en politiek, en tussen vrijheid en engagement. De kwestie van het begin dient zich overal en altijd aan, het belletje van Verhofstadt en de beslissing van Gescinska zijn maar twee momentjes van iets dat in essentie geen moment is. Het is kairos, jazeker, iets dat volgens filosoof Benjamin haaks staat op de chronologische tijd, de tijd gedacht als chronologisch verloop, progressie, proces, ontwikkeling. Maar het begin is evengoed die chronologische tijd, het is 'de tijd', 'onze tijd', chronos en kairos.
In een eerdere blog kwam ik op het idee om nog een derde Griekse term in te voeren om voor mezelf opheldering te krijgen over de tijd: aioon, de oneindige tijd, de tijd van het altijd al, het aei, of in termen van Heidegger het je schon. Kan het zijn dat we met behulp van mijn twee gezichtspunten, het portret en het gedicht, inzicht krijgen over ons probleem, de verhouding tussen vrijheid en engagement? Teruglezend in mijn blogs kwam ik (via filosofen als Agamben en Severino) uit bij het komische sublieme, de ervaring dat we in contact kunnen treden met wat we niet kunnen bevatten via onbeduidende, grappige, absurde zaken (zie hier).
Laat dit nu toevallig de sfeer zijn die Szymborska oproept, de toon waarop ze dicht. Zo treffen mij de zinnen:
Je hoeft niet eens een menselijk wezen te zijn
om politiek gezien iets te betekenen.
Het is genoeg als je aardolie bent,
veevoer, een afvalproduct.
Het is het soort zaken waarover Parmenides begint in gesprek met Socrates, in de gelijknamige dialoog van Plato ('Parmenides'), de lachwekkende zaken.
We vinden deze zaken met een beetje hermeneutische moeite ook terug op de eerste bladzijden van Gescinska. Allereerst dat portret, de persona Gescinska. Haar beste vriend reageert op haar besluit: 'Het zal je leven er niet makkelijker op maken, en ik heb geen vertrouwen in het Europese Parlement, maar aangezien er toch een is, dan liever met jou erin dan erbuiten.' (p.16) Daarnaast het komische sublieme. Dat meen ik te zien in de omgang van Gescinska met haar vijfjarig zoontje. Hij vuurt vragen op haar af 'van een prozaïsche alledaagsheid' (p.13), of 'poëtische vragen waarop zelfs de filosofie het antwoord schuldig moet blijven': 'Kun je nog jarig zijn als je dood bent?' enzo. Het zijn ook de gedachten, toevallig, die passen bij Parmenides: 'Als je dood bent, ben je toch nog altijd iets: namelijk dood. Als er niets is, is er toch nog altijd iets: niets.' (13-14).
Zeker in combinatie met het gedicht van Szymborska opent deze overdenking van Gescinska een voor mij verrassend perspectief op ons aloude filosofische probleem, de verhouding van vrijheid tot engagement. De kinderen van onze tijd, dat zijn wijzelf. Maar we kunnen dat ook ontdekken via onze kinderen. Ze zetten ons aan het denken over ontologische vragen. We willen hun graag een goed antwoord geven. Niet alleen voor dit moment, deze kairos, maar vooral ook voor later, wanneer wij dood zijn en we een mooi portret willen zijn in de ogen van onze kinderen. Oké, Europa bestaat niet meer, parafraseer ik maar even, maar aan mama heeft het niet gelegen, zij was de laatste liberaal.
Zo zouden we - weer met onze blik opzij - kunnen kijken naar die beroemde uitspraak van Herakleitos: 'De levensloop is een kind dat triktrak speelt: een kind is de koning te rijk.' Levensloop is de vertaling van aioon, een woord dat meer omvat dan het individuele leven. Het is het oneindige leven, inclusief alle verjaardagen na je dood, de tijd van onze kinderen. Zo geformuleerd komen we bij het omgekeerde terecht, wellicht een komische omkering, van de formule van Szymborska, 'kinderen van onze tijd'. De tijd van onze kinderen vertelt ons iets over onze tijd, omdat we nu al weten dat we na onze dood zullen bestaan, wij zijn zelf die tijd waarvan we de kinderen zijn, en waarvan onze kinderen de kinderen zijn. En in die zin zijn wij de kinderen van onze kinderen, we komen in actie omdat we denken dat onze kinderen daar om vragen.
Niet te bevatten, in die zin subliem, maar ook grappig, omdat kinderen met vragen komen die we zelf nog niet hadden bedacht, en waarop we nog geen goed antwoord hebben. We beslissen dan maar iets, we maken onze acties, we raken geëngageerd, en spelen de spelletjes mee in een parlement, of op school, of in de filosofenwereld. De vrijheid is de vrijheid van het spel, de tragische en komische incidenten. En 'intussen kwamen mensen om'.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten