dinsdag 13 augustus 2013

Tunnelvisies

Medisch specialist Pim van Lommel maakte furore met zijn onderzoeken naar bijnadoodervaringen van patiënten. Ze zagen licht aan het einde van de tunnel. Ze keerden terug en werden melancholisch. Ze hadden geproefd aan de eeuwigheid, de hemel of wat ook.

Amerikaanse onderzoekers halen ratten en het onderzoek zoals van Van Lommel door de gehaktmolen. De ratten laten vlak voor hun dood een opleving van hersenactiviteit zien. Zie je wel, het is gewoon quelque chose de physique.

Het blijkt maar weer dat tunnelvisies vaak twee kanten op gaan. Zoals bij echte tunnels is er aan twee kanten licht aan het eind, maar zien de tunnelrijders niet het licht waarnaar hun tegenliggers op weg zijn.

Volgens mij, mijn tunnelvisie, heeft God zich er allang mee tevreden moeten stellen dat de dingen grotendeels volgens natuurwetten verlopen. Wetenschap gaat over die grens op de rand van de natuurwetten en wat erbuiten ligt. Is er geen buiten meer, dan zijn de wetten ook geen wetten maar tautologieën of afspraken. In dat buiten ligt dus Gods kans. Of - natuurlijk - de laatste opleving van Zijn hersenactiviteit...

Wanneer ik hoor over Van Lommel word ik ontroerd, en nostalgisch naar de tijd dat onze parapsychologische projectgroep boos werd als zulke zaken ontkend werden. Wanneer ik lees over het Amerikaanse onderzoek word ik bijna weer gelovig, want ze denken een hemel te kunnen blokkeren die volgens hen wellicht niet eens bestaat.

Plato lezen zou in deze situatie één voordeel hebben. We komen erachter dat je steeds moet kijken én nadenken. Je zou dan een gedachte-experiment kunnen bedenken waarbij 1) de hemel bestaat en 2) hij zodanig bestaat dat de natuurwetten zoals wij die kennen op geen enkele manier worden doorkruist. Het experiment kan opleveren dat de oplevende hersenactiviteit voor de dood een evolutionair voordeel heeft. Ze kan ons helpen om de gedachte aan het leven na de dood levend te houden. Zonder die gedachte zijn mensen moeilijker te motiveren hun leven en dat van hun soort in stand te houden en te verbeteren.

Kortom, de gehaktmolen van Amerikaans onderzoek moet de betekenis van de dingen niet vergeten.

Daarvoor kan enige oplevende hersenactiviteit best nuttig zijn. Maar het zou ook goed kunnen dat die Amerikaanse onderzoekers allemaal gelovig zijn en dus twee tunnels in hun hoofd hebben. Ook wij moeten dus worden geprikkeld om te blijven nadenken over de betekenis van Amerikaans hersenonderzoek.



zondag 11 augustus 2013

De kracht van het onbeweeglijke

Er zijn zat voetbalwedstrijden of seksscènes waar veel beweegt en toch ook weer niet. Ook bij schijndemarrages bij wielrennen is het de bedoeling dat je niet weet waar je aan toe bent, of het op de verkeerde manier weet.

Blijkbaar zitten we nog steeds in de controversen van de oude Griekse filosofen, die vaak worden verhelderd aan de hand van Achilles en de schildpad. Ze houden een hardloopwedstrijd. De schildpad  krijgt uiteraard voorsprong. De snelle Achilles denkt 'Eitje!' en komt al snel bij de schildpad. Echter, die is alweer verder! Enzovoort. In werkelijkheid noemde Zeno van Elea helemaal geen schildpad, maar dat doet er hier niet toe. Of wel: hoe we er samen naar kijken zegt gene ene bal omdat we er niet bij nadenken.

Plato loste het probleem op, althans, dat denken wij dat hij dat deed, of dat hij dat wilde. Maar het was gewoon weer een zet in de voortgaande strijd, zeg maar geestelijke hardloopwedstrijd, tussen de empiristen en de conceptualisten. Alleen al door te spreken van 'eidos' suggereerde Plato dat je het denken moet opvatten volgens het model van het zien. Maar dan ben je dus terug bij af, u ontvangt geen 200 gulden.

Je kunt ook veel vriendelijker naar dit soort dilemma's kijken.

Kijk opnieuw naar de atletiek. De camera gaat voor de hardlopers uit. Het lijkt of ze bijna stilstaan, die snelle lopers. Sowieso een heel statisch beeld. Maar ze bewegen harder dan u en ik ooit zullen kunnen! Er treden effecten op, er wordt gespeeld met die effecten. Beweging wordt verkocht als standvastigheid (politici die zeggen dat ze vroeger ook al zo dachten), standvastigheid wordt verkocht als beweging (televisie).

Zou het kunnen zijn dat de ideeënwereld van Plato toch werkelijker is dan we geloven? En zelfs Parmenides met zijn opvatting van het zijn als onbeweeglijk? Ja, wanneer we de differentie erbij halen. Noem het de wederzijdse voorsprong van Achilles én de schildpad. Het onbeweeglijke zijn als beweeglijk en omgekeerd. En onthoud: bij Zeno staat nergens een schildpad genoemd. Achilles rent achter een schim aan.

Willen we het praktischer, dan zou je kunnen zeggen dat de bewegingsloosheid in onze cultuur slechte papieren heeft. Maar het is weer aan het veranderen! Let maar eens op als schrijvers of filosofen het hebben over de dood. Je denkt al gauw: wat weten ze er nu van, dat hebben ze toch helemaal niet meegemaakt? Maar ze bedoelen dan vaak: bewegingsloosheid. Het geeft enorme houvast in je leven. De dood van Hans Kok destijds, dat was echt een evenement van jewelste. Of Jezus Christus. Ze worden bijna automatisch idee door niet meer te bewegen. Eindelijk heeft de mensheid een richtpunt, en je kunt pas goed richten wanneer het doel niet beweegt. Ander voordeel: de oneindige behoefte aan immuniteit wordt zo enigszins bevredigd en weer verder aangewakkerd.

Het onbeweeglijke is dus weer volop in beweging.


zondag 4 augustus 2013

De via rupta van Freud

Bij Freud denkt iedereen onmiddellijk aan mythologie. Dat is op zichzelf al een vorm van verdringing, want de man wilde juist nadenken over metaforen en hij probeerde ons gedrag juist op een wetenschappelijke manier te analyseren.

Ook aan die laatste Freud wordt nog wel gedacht, als voorloper van wat later beter door anderen is gedaan. Het is in dat geval juist de dominantie van de mythologie die zijn wetenschappelijke geloofwaardigheid in de weg staat.

Het in de weg staan en wellicht de ontsporing hebben zelf iets met de weg te maken. De weg is Bahnung, er baant zich iets een weg in onze dromen en in ons oordeel over Freud. Derrida wijst op de Latijnse etymologie van 'route', via rupta. Steeds zijn in onze psyche volgens (de vroege) Freud twee soorten neuronen aan het werk: doorlaatbare neuronen die geen weerstand bieden en geen spoor vasthouden van de indrukken die het ondergaat, en neuronen die daar contactroosters tegenover stellen waarmee ze het spoor van de indrukken wel vasthouden.

Later komt Freud op de proppen met zijn metafoor van het 'toverblok', een schrijfblok met een ondergrond van was, waaroverheen een wassen vel ligt. Schrijven doe je met een scherp voorwerp, een stilus. Na het schrijven haal je het vel weg en verdwijnt de inscriptie. Klaar voor de volgende.

Je doet bij schrijven dus steeds twee dingen tegelijk, zegt Derrida via Freud. Je bent met je ene hand volkomen ontvankelijk voor de indrukken, als een ideale lezer. Met je andere hand ben je al bezig met griffen waardoor je je contactroosters op de wassen ondergrond drukt, als een ideale schrijver. Nooit ben je het een zonder het ander.

Je bent dus ook geen ontcijferaar van mythes als je Freud leest. Er bestaat geen vaste sleutel, de mythes zijn ook maar contactroosters die verstoord worden door de nieuwe indrukken die de psyche opdoet. Evenmin is Freud de wetenschapper die eindelijk in alle openheid ziet wat er met de psyche gebeurt. Daarvoor is zijn beroep op het toverblok te technisch, het maakt de verbinding tussen machine en psyche tot meer dan het gebruik van een hulpapparaat door een subject dat alles onder controle heeft.

Deze beschouwing is terecht ondergebracht in een blog die gewijd is aan de ideeën van Plato. Derrida levert terloops even het bruggetje door te herinneren aan Phaidros met het onderscheid tussen het spontane schrijven 'in de ziel' (ἐν τῃ ψύχῃ) en als ὑπόμνησις, geheugensteun. Daarmee bevinden Freud en Plato zich zowel binnen het logocentrisme met zijn voorkeur voor de directe spontane uiting, als op de limiet van een nieuwe era waar de techniek niet slechts gebruik van hulpmiddelen is maar de verhouding tussen beide lagen van het schrijven regelt, als een scène van het schrijven, een historische scène waarin wordt geschreven en als het schrijven van die scène, als via rupta.

Dat iedereen (of ik alleen??) bij via rupta meteen denkt aan een coitus interruptus is best begrijpelijk. Ook Derrida denkt in die richting, als hij zijn essay eindigt met een mooi Freudcitaat: 'Lorsque l'écriture, qui consiste à faire couler d'une plume un liquide sur une feuille de papier blanc, a pris la signification symbolique du coit ou lorsque la marche est devenue le substitut du piétinement du corps de la terre mère, écriture et marche sont toutes deux abandonnées, parce qu'elles reviendraient à exécuter l'acte sexuel interdit.' (Derrida, L'écriture et la différence, p.338-39)

Ja, coitus interruptus, het is niet Freud of Derrida die daarover begint, maar het leek me wel een mooie term voor de substitutie van het toverblok door het schrijven met pen. Ook leek het me een mooie brug naar Melanie Klein, een brug die Derrida zelf als gewenst vervolg van zijn Freudexercitie ziet. Klein gebruikt Freud voor een soort genealogie van de moraal waarbij het schrijven zelf object is van waardeoordelen. Bijvoorbeeld op school: Role of the School in the Libidinal Development of the Child (1923). En waardeoordelen, dat gaat natuurlijk over excrement of opslokken. De coitus interruptus is dus een coitus, een samengaan dat doorgaat, maar wordt verplaatst van hand, penis, vagina naar mond en anus. 

Het samengaan speelt zich intussen nog steeds af tussen de handen die dit toverblog typen. Klaar, enter, terugtrekken, ruimte maken voor de volgende.



zaterdag 3 augustus 2013

Neume

Aristoteles noemde Plato's ideeën teretismata, betekenisloze deuntjes. In latere eeuwen werd dit de benaming van nootjes of van vocalisaties van betekenisloze lettergrepen.

Misschien kunnen we bij Rousseau's 'neume' ook wel aan zoiets denken. Het is de betekenisloze ademtocht waaruit hij de taal laat voortkomen. Derrida beschrijft en deconstrueert die theorie uitvoerig in zijn Grammatologie.

Ik vraag me af of je hier niet rechtstreeks zou kunnen doorschakelen, via Aristoteles' kritiek, naar de Platoonse ideeën. Voor de zichtbaarheid staat het teken garant dat de ademtocht vertaalt in zichtbaarheid zonder die prijs te geven aan de meervoudigheid en het verval van de taal. Je zou een logocentrisme kunnen uitvinden zonder logos. Het muzikale teken zou het model vormen van deze oorsprongsvisie.

Het lijkt of Rousseau de muziek inderdaad wil losweken van de logos. Het wordt spannend wanneer Rousseau de zang niet goed kan plaatsen. Hij hoort noch bij de muziek noch bij de spraak. Maar daardoor staat hij op een beslissend moment ook buiten de geschiedenis. De zang verwijdert zich van de spraak en wordt muziek. De muziek wordt kunst en in essentie nabootsing als representatie. Verval, maar hier ligt ook een kans, de kans van het noodzakelijke 'supplement', het spel der vervangingen. Het zien wordt vervangen door een horen, het horen door het schrift en de geest.

Rousseau probeert met zijn mythes, de homme sauvage, het kind en de neume de oorsprong nog te beschermen tegen de supplementariteit. Hopeloos. Ze raken verstrikt in de vervalsgeschiedenissen.

Voor Rousseau is dat vervelend, want hij wil de natuur redden van de simulatie-effecten van de samenleving. Derrida volgt hem graag ("Nous devons maintenant le suivre.", Gram. 284) om juist het vermogen van supplementariteit te tonen. Die supplementariteit is niet negatief, ze is de kans om het logocentrisme af te sluiten, te herhalen en er voorbij te denken.

Ik denk aan een Messiaen die in Catalogue d'oiseaux de nabootsing alle ruimte geeft. Er zit echter geen melancholie bij, Messiaen omarmt de techniek, zoals wellicht de componist Rousseau dat ook deed. En die bij Derrida bijna verzwegen wordt, misschien omdat hij niet ter zake doet, omdat hij buiten de geschiedenis staat, of omdat Derrida zich niet safe voelt op het gebied van de muziek.... Welnu, het is mogelijk die muziek te bekijken, als representatie van representatie. Of als een via rupta van de spraak.









Hippias meizoon

Het is niet erg helder of deze dialoog over de ideeën gaat. Hier en daar vinden we de sleuteltermen eidos en idea, maar niet als ondubbelzinnig einddoel.

Bovendien is het in dat geval lastig te bepalen van wie deze termen het einddoel moeten zijn. Sokrates heeft het steeds over een gesprekspartner die hem over de kernvragen zal doorzagen, en hij vraagt Hippias wat hij die man moet antwoorden. Je zit dan al in een spel van vervangingen waarbij Hippias tureluurs wordt. Bestaat die man wel echt? zie je hem denken.

Het schone, dat lijkt echt zo'n onderwerp van Duitse romantici die graag naar natuur en kunstverzamelingen kijken. Zo niet hier. Het gaat over het oordeel van de mensen die veel geld overhebben voor de lessen van de retorici. En ze willen graag concrete voorbeelden als het over het schone gaat. Hoort een kruikje er ook bij, en een gouden roerlepel?

Het schone, zegt de gang van deze dialoog, dat is de pesterige elegantie van Sokrates die zijn onderwerp niet rechtlijnig afwerkt.

Misschien leek die Sokrates wel op de Mart Smeets van de avondetappe. Hij is tegen tatoeages (de gouden roerlepeltjes van deze tijd). Als iets te mooi is om waar te zijn, dan is het dat ook. Maar hij zal het zijn gasten niet rechtstreeks inwrijven. Hij speelt graag de rol van de gastheer die weliswaar intolerant is jegens tatoeages, maar het respecteert als zijn gasten niet over doping willen praten. Smeets vraagt en luistert, zonder ook maar een moment de uiterst strakke regie over elke zin van zijn gasten los te laten. Een opvoedingsshow.

De kinderen zitten achteraf naar adem te happen. De aristoteliaanse verwondering is een understatement, trauma zou een betere benaming zijn.






donderdag 18 juli 2013

L'Alpe d'Huez

Atleten zijn helden van het lichaam, heet het.
Maar het is juist de bedoeling dat ze afzien, hun lichaam wegcijferen.
De berekening wijst de weg, de hartslagmeters wijzen het punt aan waar je tegenaan moet zitten.

Lees het eind van Symposion en je ziet hoe Sokrates als atleet wordt geprezen. Met blote voeten in de sneeuw, 's nachts blijven praten als iedereen al naar bed is.

Het heeft allemaal weinig te maken met een gezonde geest in een gezond lichaam.
Het gaat niet om de toestand van de geest, maar om wat de geest doet.

De geest moet klimmen.
Een voor een vallen de zintuigen uit.
Het licht gaat uit
Je komt jezelf tegen.

Uiteindelijk zien we de streep.
Daar gaan we overheen, allemaal.


zaterdag 18 mei 2013

Simons beschuldiging

Sokrates speelt in Plato's Apologie de regels van het spel, hoezeer hij zelf ook de hoogste waarheid nastreeft. Hij voert een verdedigingsrede, alsof hij werkelijk gericht is op vrijspraak. En hij zegt dat hij niet wil deelnemen aan het politieke leven, maar hij respecteert de wetten van de stad.

Zo zou je Sokrates als modelvoorbeeld kunnen zien van moreel ingestelde filosofen. Die klagen het spel aan zoals het gespeeld wordt, maar zijn tegelijk bereid zich naar het spel te voegen en roepen anderen ertoe op dat ook te doen.

Coen Simon concentreert zijn beschuldigingen op de economie en het voetbal. Economie wordt opgevat als een spel waarvan we zelf de regels bepalen. De schuld hoopt zich vervolgens op doordat we de grenzen van het spel niet meer accepteren, omdat we ze als uiterlijk en toevallig ervaren. Nergens wordt dat zo zichtbaar als in het voetbal. Daarvan vinden we toch allemaal dat het een spel zou moeten zijn, met vaststaande regels en een herkenbare plaats in de samenleving. Echter, de ernst waarmee Van Halst het spel analyseert toont volgens Simon aan dat we het spelkarakter van het voetbal niet meer begrijpen, en daarmee van sport, van economie, en uiteindelijk van de hele cultuur.

Het model van de cultuur wijst Simon aan in de toewijding aan het spel zelf, waarbij verlies tandenknarsend op de koop toe wordt genomen, zoals in il Palio, de jaarlijkse paardenrace van Siena. Een zo mogelijk nog helderder voorbeeld is de verjaging van de verkopers uit de tempel door Jezus: 'En ('economen let op!') wie weet moeten we het bijbelse verhaal van de tempelreiniging wel juist zo opvatten: dat een huishouden als in een labyrint om de open plek in het centrum heen cirkelt, en deze plek altijd vrijhoudt van handel.' (Schuldgevoel 105)


Die open plek die het symbolische mogelijk maakt kan zelf onmogelijk slechts symbolisch zijn. Daarom ziet Simon ook niets in De Bottons oproep om religie weer in te voeren, ook al kunnen we niet meer geloven. De grenzen moeten zich als het ware opdringen, net als de toevallige, gegeven wereld. De moraalfilosoof hoeft die noodzakelijke grenzen vervolgens alleen maar een zetje te geven, het zetje van Jezus, het zetje van Sokrates.

Nu nog bedenken waar. Juist, in de matiging van verlangens die we bereiken met oefening. Geen levenskunst, want we staan niet als kiezende mens tegenover de wereld. Oefenen wil zeggen: een plaats en tijd vrijhouden van de economie, een tempel, een mensenleven, een voetbalveld. Zoals Jezus en Sokrates, die zich niet lieten betalen.

Nu nog de luciditeit van zeg maar een Paulus, of een Plato, die inzagen dat die oefening uitliep op een gewelddadige dood. En ook dat nog weten te verkopen.

Een andere mogelijkheid: de open plaats ontdekken in de doldraaiende markt zelf. Simon was al een eind op weg, met zijn opdoemend schuldgevoel toen hij zijn eerste walkman kocht en verkocht. Een burnout is ook zo'n plaats, evenals de crisis en het hoofd van Johan Derksen. Kortom, overal waar de markt even implodeert en de waren hun aantrekkelijkheid verliezen.