zondag 17 november 2024

Hoe te ontsnappen aan de parallelle wereld - De roman Schilf van Juli Zeh

Parallellen zijn mooi maar hebben ook iets tragisch. Vandaar ons verlangen om te kunnen overspringen van de ene naar de andere lijn. Van twee walletjes eten, dat doen wij het liefst. Tegelijk moet de parallel in zijn zuiverheid worden bewaard. Een van mijn beste vrienden trok altijd zijn snelbinders parallel voor hij ging fietsen.

Je kunt natuurlijk ook parallel zijn met zo'n vriend. Hij koos destijds bèta, ik alfa. En door een wonderlijk toeval troffen we elkaar laatst met synchroniciteit als aanleiding, een leerling van mij maakte er een werkstuk over en had mijn vriend geconsulteerd. Wat heet, wonderlijk toeval. Zo'n wonder is het misschien niet als je er patronen in kunt ontdekken. Patronen die je ook nog eens kunt gebruiken.

Daarmee komen we op het thema terug dat ik naar aanleiding van Agamben besprak, in een vorige blog over zijn recente boek. Gebruiken kun je zowat alles, maar dan is het liefst een object dat door dat gebruik instrument wordt, en zodoende ingeschakeld in de causale orde. De orde van gevolg en oorzaak. Niet zo bij Agamben, die Aristoteles wil volgen en tegelijk ontregelen via die term gebruik. Denk bijvoorbeeld aan de uitdrukking 'een orakel raadplegen'. De Grieken gebruikten daarvoor de term 'gebruiken', 'chraomai', waarbij datgene wat je gebruikt ook nog eens niet in de naamval van het lijdend voorwerp staat. Het orakel staat in de dativus, een naamval die van alles kan uitdrukken, maar waardoor toch de orde van subject en object wordt gecompliceerd. Het orakel zegt ons iets, al weten we niet wat.

Een voorbeeld uit mijn leven is een opstel van een andere leerling, die enkele weken geleden onverwacht overleed aan een hersenvliesontsteking. Enkele maanden eerder had ze bij mij een opstel ingeleverd over hoe de Grieken dachten over het hiernamaals. Zelf zag ze weinig in de onderwereld, die min of meer ook model staat voor de christelijke visie op de hel. Nova (zo heette mijn leerling) geloofde wel in een wereld na de dood, waar zielen verblijven. Ze kunnen tekens sturen, bijvoorbeeld de betekenisvolle verschijning van een vogel. Je kunt je voorstellen dat deze gedachte een nieuwe, toegespitste betekenis krijgt nu ze zelf onverwacht is overleden. We gebruiken haar opstel als troost.

Er zijn dus misschien parallelle werelden, en misschien heeft de idee van parallelle universa betekenis. Misschien kun je af en toe overstappen van de ene wereld naar de andere, bijvoorbeeld doordat je verschijningen 'gebruikt' als tekens. Bij parallelle universa zitten we meteen in de natuurkunde, en met mijn beschouwingen in de alinea's hiervoor lijk ik de begrenzingen van de natuurkunde op een ontoelaatbare wijze te overschrijden. Mijn rechtvaardiging zou zijn dat we de natuurkunde altijd op een of andere manier gebruiken. In dat gebruik zit de overschrijding ingebakken. Veel natuurkunde is zelfs grotendeels zelf factor van die overschrijding. Ze neemt de vorm aan van techniek, we willen niet per se weten hoe de natuur werkt, maar hoe we die kunnen beheersen en inzetten, en tegelijk gaat die techniek ons beheersen. Er is nog steeds gebruik, al is steeds minder duidelijk van wat door wie.

In nog sterkere mate kun je het gevoel van overschrijding hebben bij wiskunde. Het is een wetenschap die zo min mogelijk afhangt van externe gegevens. Je kunt wiskunde voor van alles en nog wat gebruiken, maar dat roept tegelijk de vraag op wat die wiskunde zelf is. Ik kwam op deze gedachte al wandelend met mijn vriend, wiens getalenteerde zoon een onderzoek doet naar de grondslagen van de wiskunde. Het is niet direct een onderwerp waar je veel mensen warm voor kunt maken, maar voor een platonist als ik is het in elk geval een onvermijdelijk onderwerp. Ik denk meteen aan Plato's uitleg van de idee in zijn Zevende brief, aan de hand van de vraag wat een cirkel is. Volgens Agamben zegt Plato daar dat je 'het ding zelf', dat wil zeggen de idee, nodig hebt om het ding te begrijpen (zie ook deze blog). Je komt zodoende terecht in een tautologie, een onbewijsbare aanname die misschien wel de grondslag is van de filosofie en - voorzover de cirkel een goed voorbeeld (paradeigma) is van de wiskunde. Een grondslag kan ook alleen maar een grondslag zijn als die zelf niet meer op iets nog basalers kan worden gebaseerd.

Het probleem van vragen zoals die naar de grondslag van de wiskunde is dat je geen beroep meer kunt doen op externe gegevens, zoals de waarneming. In gesprek met mijn vriend kwam dat naar boven toen we het hadden over zijn andere zoon. Die is ook onderzoeker, ik weet niet precies in wat, maar gelooft - als ik het goed weergeef - dat gegevens alleen maar betrouwbaar zijn als ze uit de waarneming komen. Er is zodoende aanleiding voor allerlei spannende gesprekken. De koppeling van de ideeën aan de waarnemingen was overigens ook de inzet van de tournure van Plato in Timaeus, die we verkend hadden met Agamben rond het begrip chora (zie deze blog). Chora is de ruimte of plaats die we nodig hebben om kennis door ideeën en kennis door waarnemingen met elkaar te laten communiceren. Precies wat ik me zo voorstel dat aan de kersttafel bij mijn vriend en zijn zonen kan gebeuren.

We drijven af van onze inzet, de parallelle universa. Met enige reden, dat wel. Het lijkt erop dat de ene wereld de vraag naar de andere wereld oproept. Het is niet zeker of de filosofie een positie kan vertegenwoordigen vanwaar we meerdere werelden kunnen overzien en de communicatie ertussen op gang brengen. Agamben stelt zich op de positie dat filosofie zelf de literatuur oproept. Filosofie begrijpt de taal maar kan de waarheid ervan niet onder begrip brengen, literatuur zegt de waarheid maar begrijpt deze niet. Ongetwijfeld ook uit gebrek aan wiskundig talent beweeg ik me bij mijn kwesties ook langs en tussen deze parallellen, filosofie en literatuur.

Toch kun je in de literatuur ook de problematiek van de parallelle werelden tegenkomen. Het gaat dan meestal om een sterk vereenvoudigde versie van complexe natuurkundige theorieën. In sciencefiction worden werelden gepresenteerd met andere natuurkundige wetten dan de ons bekende, of waarin sommige bekende wetten in veel grotere mate technisch beheersbaar zijn gemaakt, en waar vervolgens alles alsnog lekker uit de hand loopt.

Wat ik afgelopen week las was geen sciencefiction maar een detective, Schilf (vertaald als Vrije val) geschreven door Juli Zeh, die we verder vooral kennen van literaire romans. Je kunt dus zoiets als een literaire detective verwachten, een duidelijke plot met mooie poëtische zinnen ertussendoor. Dat maakt het meteen weer nogal kitsch, maar dat hoort ook wel bij de essentie van de roman. De detective is in zekere zin geen subgenre van de roman, maar het paradigma van de roman als zodanig, zou ik wel durven te stellen. Er is duidelijk een positie waarbinnen de diverse stemmen, personages, werelden, worden verenigd. Deze positie wordt belichaamd in de inspecteur, en voorzover elk lichaam het bewustzijn ook weer splijt en confronteert met zijn sterfelijkheid, meeneemt in een 'vrije val'. Een ander effect van die belichaming is dat - anders dan in sciencefiction - alles zich afspeelt in een vertrouwde omgeving, met gewone herkenbare, 'menselijke' mensen.

Het is nog niet meteen inzichtelijk hoe een abstract klinkende kwestie als de parallelle werelden in zo'n detective kan opkomen. Zeh doet dit door de natuurkundige theorieën te verdelen over twee vrienden, allebei natuurkundige onderzoekers. De sleutel tot de oplossing van de moord verschijnt niet voor niets in een discussie tussen deze onderzoekers. Die discussie is zogezegd de chora, de plaats of ruimte waar ideeën en waarnemingen met elkaar kunnen communiceren. Ik mag natuurlijk niets verklappen over deze sleutel en houd het expres een beetje vaag. Laten we het erop houden dat de onderneming om binnen slechts een enkele wereld te leven bij voorbaat tot mislukken gedoemd is.

In onze taal en onze voorstellingen maken we altijd gebruik van de andere wereld, of we dat nu willen toegeven of niet. Daarbij komt de hele idee van schuld en geweten wel onder druk te staan, en daarmee de hele ethiek van de rechtspraak. Deze druk wordt belichaamd in het 'vogelei' van de commissaris, zoals hij zijn hersentumor noemt, die hem dwingt tot haast en zijn denkvermogen permanent dreigt te benevelen. Overigens is het interessant dat de vogels (hier dus met dat vogelei) steeds op een of andere manier opduiken als het om andere werelden gaat. Zeh zet die vogels op een schijnbaar onnadrukkelijke manier in, waardoor we misschien (ook volgens de blurb) aan Hitchcock denken. (Over die combinatie van onnadrukkelijk, onbewust met de vogels van Hitchcock, zie ook deze blog.)

Het enge aan de idee van parallelle werelden is dat alles wat mogelijk is ook gerealiseerd is. (Ik denk terug aan de reactie van mijn dochter Noraly op mijn vorige blog, het is oneindigheid wat eng is, meer dan de dood.) Er is dan geen controle meer. Daarmee dreigt ook de quantummechanica zijn morele betekenis te verliezen. De vriend van hoofdpersoon Sebastian zegt dat er een waarnemer nodig is om toe te zien op de wereld zodat ze zo kan bestaan als ze is. Op zo'n moment komt de kat van Schrödinger meestal in het gesprek. De waarnemer kan niet meer vaststellen of de kat in de experimentele doos dood of levend is, en dus is de kat tot de waarneming dood én levend.

Het gaat hier zeker ook om een belangrijk probleem voor Agamben. Een wereld of samenstel van werelden waarin alle mogelijkheden gerealiseerd zijn is onmenselijk. Zijn ethiek is gericht op het redden van mogelijkheden die niet volledig worden omgezet in realiseringen, en in laatste instantie is het 'onrealiseerbare' de garantie dat we niet volledig zijn overgeleverd aan de horror van de parallelle universa. We zagen dat Agamben via een riskante interpretatie van Aristoteles zijn reddingspoging baseert op een (onbedoelde) werking van het begrip chora van Plato.

Maar onmenselijk of niet, de idee van een enkele wereld zonder parallellen blijft een wensdroom met evenzeer onwenselijke consequenties. De mens kan niet meer ontsnappen, deze wereld is alles wat hij heeft. Hij blijft opgezadeld zitten met een God die hem straft of een dode God die de mens overlevert aan zijn eigen geweten. Laat dit nu precies de opzet zijn van commissaris Schilf in de roman van Zeh. Hij heeft meer vertrouwen in het geweten dan in de rechtsinstituties. Hij neemt zelf de rol op zich van observator die alle schijnbaar onbetekenende waarneminkjes met elkaar verbindt en toeleidt naar het schuldgevoel van de schuldige. Dat lukt ook uitstekend, ware het niet dat....

We begrijpen nu misschien ook beter waarom Agamben via Timaeus van Plato uitkomt bij de theologie. Als de parallelle universa vreselijk zijn, en de beschuldiging binnen een wereld zonder ontsnappingsmogelijkheden al even vreselijk, dan moeten we aannemen dat deze wereld een wereld-in is, een wereld in 'God'.

In de roman wordt deze 'God' misschien gerepresenteerd door het kind, via het kind. Als Oskar zijn vriend Sebastian voorstelt om samen te vluchten (zodat Sebastian zijn arrestatie wegens moord kan ontlopen), moet Sebastian denken aan zijn zoon Liam:

'Wenn ich Liam ansehe', sagt er, 'ist es unmöglich, etwas zu bereuen.'

'Nicht einmal mir geht das anders', sagt Oskar. 'Die Vergangenheit ist geizig. Sie gibt nichts wieder her. Vor allem keine Entscheidungen.' (282)

En dan dat gebaar van Oskar, dat misschien iets anders aankondigt dan orwelliaanse double speak, een gebaar bijna uit een andere wereld, een parallelle wereld:

In Oskars Hosentasche findet sich ein Stofftaschentuch. Er trocknet Sebastian Augen und Wangen, dann schiebt er ihn von sich und bringt ihn in die Senkrechte zurück.

Foto's met de zoekterm 'vogelei' op Zoom.nl

zondag 3 november 2024

Mijn antwoord op de roep van de dood - Bij een film van Verhulst

Er zijn van die weken dat de dood naar je lijkt te roepen. Al is nooit helemaal helder wat die dood dan roept. Wel is begrijpelijk dat dichters en filosofen er dankbaar voor zijn. De roep van de dood is ons vak, het hoort bij onze traditie. Dan zijn we toch vooral gerustgesteld als die roep klinkt. We weten er wel raad mee. De ongemakkelijke roep van de dood kunnen we overnemen, het wordt nu onze roep. Bekendste voorbeeld is natuurlijk Heidegger, die de roep van de dood in Sein und Zeit opvoert om de beslotenheid van de mens in zichzelf open te breken.

Voor ikzelf weer meteen in de val trap van die overname laat ik tot me doordringen hoe de dood in het echte leven een roep kan worden. Ik sta op het perron en word ineens gebeld door mijn zus. Ze heeft na een aantal gelukkige decennia ineens weer flink last van depressie. Ik stap de drukke trein in en sta tussen een dik pak mensen. Ophangen kan niet, bij deze urgente roep. En zo sta ik midden in het leven, midden in de drukte, onmogelijk om goed te reageren, onmogelijk ook om niet te reageren.

Zou dat nu zijn wat Heidegger bedoelt met de 'onmogelijke mogelijkheid'? Als je op de roep van de dood reageert, dan moet het toch mogelijk zijn erop te reageren. Maar de taal heeft even niets anders te bieden dan een tegenspraak die ietsje te wijs klinkt. Wijsheid in de zin van weten dat ontspringt aan de ervaring van je beperktheid, je eindigheid. Mooi is dat zeker, en ik begrijp ook hoe de roep van de dood je uit je zelfbeslotenheid kan halen, de Entschlossenheit. Immers, ik sta toch maar mooi mijn zus te woord, en dat nog wel in een drukke trein. Maar wat zegt dat nou eigenlijk? Het is niets meer dan een soort plichtmatig gestotter wat ik voortbreng, of nog erger, een iets te wijze taal, of nog erger: overname, het verhaal van de ander dat je denkt te delen doordat je zegt dat je het herkent of begrijpt.

Op een weer andere manier kwam ik die roep in verband met de dood tegen naar aanleiding van de film die ik gisteren zag, Waarom Wettelen? van Dimitri Verhulst, over een merkwaardige rouwstoet die wandelt door het Vlaamse platteland, een zwarte komedie. Na afloop van een film ben ik meestal benieuwd naar de recensies. Dit keer waren ze nogal kritisch. Verhulst is een schrijver, en zijn vondsten werkten niet op het doek. Hij moest zich verlagen tot woordgrappen, terwijl de film toch beeld en emotie hoort te zijn. De roep kwam ik tegen bij de recensie van Bert Potvliege (zie via deze link):

'Het onvermogen van de film om een uniform tonaal geheel te vormen staat als een paal boven water. Vrij vroeg in de film stond het ons voor de ogen dat Verhulst niet doorheeft dat zijn eigen film schreeuwt naar hem. Terwijl de rouwende familieleden zich over de bochtrijke plattelandswegen voortslepen, krijgen we in de achtergrond een aandoenlijk geromantiseerd Vlaanderen in breedbeeld te zien. Die warme, zachte gloed van zonnige velden vloekt hard met de vaak platvloerse aard van Verhulsts dialoog, alsof het om twee films door elkaar gaat.'

Dit beeld van de recensent doet iets met me. Al vaak heb ik gemerkt dat ik in mijn blogs iets doe wat lijkt op recensies, maar me ongemakkelijk voel bij de oordelende, kritische bedoelingen. Eerst zocht ik een oplossing in de prijzende, hymnische toon, via mijn blogserie Prijzingen!, maar reclame maken helpt niet echt als tegengif, ik lees toch daarna altijd weer met grote interesse die recensies. Overigens: ook in het woord 'reclame' zit die roep, het betekent letterlijk 'steeds opnieuw schreeuwen' (re-clamare).

Blijkbaar ben ik meer gericht op begrijpen, en dat past weer beter bij onderhavige serie, Ideeën. Er liggen toch onverwachte, leerzame verbanden te wachten in de verwijzingen naar Plato en Agamben. Bij Plato bijvoorbeeld moet ik denken aan Symposium, waar Socrates zijn mooie theorie over de liefde uitlegt aan zijn vrienden bij een lekker glas, maar waar daarna de luidruchtige generaal Alcibiades komt binnenvallen en de theorie over de liefde lijkt te banaliseren met zijn verwarde verhaal over Socrates. Socrates, die overeind blijft, meestal ook letterlijk, en vooral ook, in een ander boek van Plato, tijdens het drinken van de gifbeker, de filosofie als waardige reactie op de roep van de dood.

Maar ook Agamben mag er wezen. In een vorige blog besprak ik zijn theorie over de taal als een restant, als iets wat overblijft, naar het model van de relikwieën van heiligen die in de middeleeuwen werden vereerd. Dat staat ook in de film van Verhulst centraal, ook daar loopt iedereen aan achter het restant van een mens, een mens nog wel die het leven wist te waarderen en te vieren, naar verluid. Dat de taal in de film af en toe de kracht van het beeld lijkt te verzwakken of tegen te spreken hoeft dan niet zo'n bezwaar te zijn. Als het beeld even zijn werk niet meer doet, met die te mooie landschappen, dan hebben we altijd nog die droge dialogen. Waarom, zo wordt gezegd, was die overleden Christine zo goed? Ja, als klant van de uitvaartdienst, dode klanten zijn meegaander dan levende.

Het simpele antwoord op Waarom Wettelen? is dus: omdat Christine zelf had bepaald dat ze niet in haar woonplaats begraven wilde worden, maar in Wettelen. Misschien ligt hier ook een aanwijzing voor de diepzinnigere vraag die ik probeerde op te werpen: wat roept de dood? Antwoord: de dood roept iets wat we niet goed begrijpen, maar waar we wel op antwoorden. We blijven achter in de woonplaats, omdat we geen zin hebben in al dat gedoe, of we gaan achter die wagen aan lopen, omdat we haar weduwnaar zijn, of omdat we een vrouw zijn die op zoek is naar weduwnaars als gezelschap, of om je familie eens goed de waarheid te zeggen (de verdreven pleegzoon). Kortom, we roepen van alles terug, 'van alles'.

Bij een relikwie hoort, zegt Agamben, dat het niet alles is. Het is een stukje lichaam, dus minder dan het lichaam, en dan ook nog dood. Maar ook weer meer dan het lichaam, want het overstijgt de levensduur van het lichaam, en het wijst vooruit naar een toekomstig leven, we kunnen hoop ontlenen aan het relikwie.

De komedie heeft zo zijn eigen manieren om de relikwie in te zetten in het theater en de literatuur. Bij mijn promotiefilosoof, de Russische filosoof Michail Bachtin, kwam ik de volgende passage tegen:

'A certain influence on the grotesque concept of the body was exercised by relics, which had great significance in the medieval world. It can be said that various parts of the saints' bodies were scattered over France and indeed throughout the medieval Christian world.'

Hierop volgt een bespreking van enkele parodieën waarin relikwieën een hoofdrol spelen. Ze gaan terug op de oudheid, bij Hieronymus vinden we 'Het testament van het varken', en in de dertiende eeuw 'Het testament van de ezel'. De dieren zijn veranderde, 'getravestieerde' gestalten van de goden. Het zijn de goden, maar dan verplaatst naar een lager 'topografisch' niveau, en bij die dieren zelf worden de lagere plekken weer benadrukt. En zo vinden we bij de romanschrijver Rabelais de fallus van de ezel terug:

'In medieval parodies its organs and its braying, as well as the shouts of the drivers play an important part. We hear these shouts in Rabelais' novel. There are several mentions of the abusive term: "viédaze", the ass's phallus. The topographical character of this abusive expression is quite obvious. Let us recall Rabelais' remark: 'This is as difficult as to extract a certain sound (pet) from the bottom of a dead ass."' (Rabelais and His World, p.351-2)

Er is dus een samenhang tussen de relikwieën en de scheet van een dode ezel, en wel in de taal. De taal is wat overblijft wanneer we de heilige en vulgaire intenties weghalen uit de taal, en wat overblijft is even moeilijk - onmogelijk - om te analyseren als de scheet van die dode ezel. 

Zelf vind ik de romans van Rabelais niet erg lachwekkend, voor mij zijn ze een soort heilige teksten die voor mij vooral betekenis hadden in de jaren negentig, als studieobject, ik moest iets met de filosofie van Bachtin. Dat verklaart misschien ook mijn grenzeloze vertrouwen in literatuur of films zoals die van Verhulst, het maakt me eigenlijk weinig uit of ik er echt hard om moet lachen, en of het wel of niet een goede film is. Ik weet er altijd wel een blog over te schrijven, waarin ik verbanden kan leggen met Plato en Agamben (en nu ook nog Bachtin), en dan ben ik meestal dik tevreden. In die zin is mijn leven eigenlijk al afgelopen in de jaren negentig. Ik ben toen geworden wie ik ben, en in die zin ben ik zelf een relikwie, zijn ook deze blogs relikwieën.

Voor mij had het betekenis gisteren dat ik naar die film liep samen met mijn dochter Noraly. Zij had de film uitgekozen. Ze had al boeken van Verhulst gelezen en die spraken haar wel aan. Het klinkt misschien als een cliché, maar het is mooi als je kinderen een leven leiden dat echter is dan dat van jezelf, en als ze dat ook nog met je willen delen. Bovendien liepen we vanaf station Lent over de Waalbrug, als je een rivier oversteekt voel je je een gestorvene die toetreedt tot een nieuw leven, een leven na de dood.

En om het nog mooier te maken: vlak voordat ik in de trein stapte belde vriend Eric me, waarbij ik de herhaling voelde van het (hierboven vermelde) gesprek met mijn zus. Ook weer zo'n ongelegen moment. Eric redigeert momenteel een tijdschriftnummer over 'De maatstaf van de dood', en de kwestie was of we bijdragen moesten inkorten. Welnu, van de medewerkers van het tijdschrift had Eric begrepen dat het niet hoefde. Mijn antwoord (mijn artikel over de dood van Vergilius) was dus oké, al had het evengoed anders kunnen zijn.

Zo zie je maar weer, de dood roept ons steeds dingen, en het is niet makkelijk er chocola van te maken. Maar een blog als deze, dat kan nog wel, en daar doen we het voor.

Absurde poëtische roadmovie Waarom Wettelen? | Cultuur - Contactzutphen.nl